Donor zijn, ja of nee?

Door Anna Lamb

Waar de ene groep zich beijvert zoveel mogelijk mensen op te roepen vanuit liefdevolle betrokkenheid een donorcodicil in te vullen, daar beijvert een andere groep zich dit tegen te gaan.

De eerste groep doet dit vanuit een behoefte en het geloof dat het het beste is als het leven, zolang als maar enigszins mogelijk is, op aarde wordt doorgebracht.

Uit liefde voor de zieke medemens voelt men zich geroepen zijn ?overbodige? organen na zijn dood af te staan.

De tweede groep doet dit juist niet en dit vanuit het nieuwe weten dat organen persoonsgebonden zijn; dat diepe ervaringen in het leven als trillingen hun weerslag hebben gekregen in het orgaan dat met bepaalde emoties verband houdt. Deze trillingen worden over het algemeen in de loop van het leven verwerkt en dan dus weer losgelaten, maar veel wordt niet direct verwerkt, dus niet losgelaten en blijft als trillingen achter in het daar voor bestemde orgaan.  Deze trillingen komen vrij als de mens overleden is en zijn lichaam het verteringsproces doorgaat. Alsnog komen dan oude processen uit dit leven tot verwerking en zal een nieuw leven daardoor niet extra belast worden.

Wanneer een mens zijn orgaan afstaat, blijven de onverwerkte trillingen achter in het dan nog wel levende orgaan in de ontvanger en komen zo niet tot verwerking.

De overledene blijft zo verbonden met de levende mens die het orgaan heeft ontvangen. Men spreekt zelfs menigmaal over eigenschappen die naar boven komen, die de zieke persoon voorheen niet had en dus via het donororgaan lijken los te komen.

Maar dood is geen afscheid voor altijd; we moeten dan ook niet kost wat het kost vast willen houden aan het leven, aldus de visie van deze laatste groep mensen.

Onlangs zag ik een zeer ontroerende documentaire op de televisie waarin een 10 jarig jongetje zijn organen na zijn naderende dood wenste af te staan.

Zo konden vijf mensen een van zijn organen krijgen en ?gered? worden. Een van hen was een jongetje van zes.

Het voelde zo goed en bijzonder; zowel wat het overleden jongetje had gedaan alsook de ouders en medische staf en toch….

Nog steeds heb ik en velen met mij het donorcodicil niet ingevuld.

Dit is niet zo maar gemakzucht of egoïsme.
Ik voel een diepe weerzin wanneer ik me voorstel een orgaan van een ander te ontvangen. Ik denk dat ik liever doodga. Maar ik voel wel een bereidheid om een orgaan te schenken aan een kind of een moeder met kinderen of wie dan ook.

Waar moet ik naar luisteren?

Naar mijn verstand, dat zegt dat ik zelf dan wel eens de dupe zou kunnen worden van dit besluit?

Naar mijn angst voor mogelijke gevolgen? Naar mijn schuldgevoel dat ik mensen kan ‘redden’ en dit uit egoïsme niet doe?
Naar mijn intuïtie dat zei dat ik geen donororgaan wil.

Ik besluit tot het laatste.
Mijn intuïtie is verbonden met mijn weten; met mijn bewustzijnsniveau want…
Wie zegt me dat er geen karmische banden lopen tussen donoren en hun ontvangers die op deze wijze worden uitgewerkt.
Wie zegt me dat er veel mensen door hun vergevorderde geestelijke ontwikkeling, na het sterven niet al gelijk hun processen kunnen loslaten en dus niets meer achter laten?

Wie zegt me dat dit niet een mogelijkheid is om in een leven meerdere ontwikkelingen door te maken, zonder telkens weer een nieuw leven te hoeven aangaan?

Wie zegt me dat dit niet een proces is waarin de mensheid vanuit nieuwe inzichten geholpen wordt tot meer eenheid en mededogen met elkaar te komen?

Alleen ons eigen weten is in staat deze vragen aan onszelf te beantwoorden, want ons eigen dieper weten komt voort uit onze levensopdracht en ons individuele ontwikkelingsniveau.. Dat vraagt verdieping; zelfkennis; eigen verantwoordelijkheid en trouw aan het eigen weten.

We zullen onze eigen valkuilen goed moeten herkennen en doorzien. En dat we uitgaan van een algemeen zo maar aangenomen gemeenschappelijk
standpunt, daartoe heb ik het hart niet!