Orgaandonatie ja of nee!?

  • Auteur: Peter Lamb

vlinderblauwBij het gesprek over orgaandonatie wil ik drie kanttekeningen plaatsen. Als eerste, dat het mij opvalt dat, bij alle argumenten pro en contra orgaandonatie,  er een is die, voor zover mij bekend, ontbreekt en wel de meest voor de handliggende: de aanvaarding dat het leven zoals het zich aandient en verloopt, nu eenmaal beperkt in jaren is. Vanuit deze visie is het voor te stellen dat orgaandonatie noch orgaanacceptatie een plaats hebben.

Ik realiseer me goed dat deze gedachte wel heel haaks staat op de heersende trend van ‘Make me beautifull’, om zo lang mogelijk mooi, jong en gezond te lijken. Het is een handelwijze die de ‘Maakbaarheid van het leven’ propageert en waaraan niet te ontkomen lijkt.

Begrijp me goed, ik sta open voor elke argumentatie organen te schenken en te ontvangen, zelfs voor de gedachte dat ook de medische mogelijkheden in deze (al dan niet bewust) inspiratief ontvangen zijn, legitiem en te waarderen. Ik wil alleen maar aan bovenstaande gedachte een eigen waarde toekennen. Dat het leven, oneerbiedig gezegd, beperkt houdbaar is; voor elk mens, met een onbekend, verschillend aantal jaren. En dat hij ’t daar mee doet.

Naast het toevoegen van nog een argument in de discussie wel of geen donatie, is er een ander punt dat het denken en beslissen in deze kwestie kan vertroebelen.

De druk die in alle toonaarden, vanuit overheid, maatschappelijke stromingen en kerkgenootschappen wordt uitgeoefend om orgaandonatie te promoten, kleurt veelal een ander standpunt in deze als bijna mens-vijandig, of doet deze tenminste op grond van een morele plicht af  wijzen. Een in vrijheid, vanuit eigen keuze (anders) genomen besluit, krijgt nauwelijks een kans.

‘Wie in onze heer Jezus Christus gelooft, die zijn leven tot redding van alle mensen heeft gegeven, zou in de dringende behoefte aan tijdig te verkrijgen organen een oproep moeten zien tot edelmoedigheid en broederlijke liefde’, aldus Johannes Paulus II.

Er wordt hier vanuit gegaan dat sindsdien een verhulde natuurwet in de mens ligt, als vaststaand gegeven, dat elk mens de ander z’n naaste is. Om dit toe te lichten wordt verwezen naar het verhaal van de barmhartige Samaritaan uit het Nieuwe Testament. (voor de tekst zelf: zie onderaan)

M.i. gaat het daarin niet om de bevestiging dat ieder mens de ander z’n naaste is, wel dat een ander z’n naaste kan worden, afhankelijk van de relatie die hij aangaat. Alleen zo is de vraag:  ‘Wie is de naaste van de man die overvallen werd?’ te begrijpen. De Samaritaan dus, en niet de leviet en de priester.( die ook de vrijheid hadden ’t wel of niet te worden, maar er voor kozen ’t niet te zijn). Je komt iemand nabij, wordt zijn naaste, als je iets met hem aan wilt gaan, op grond van een keuze, een eigen beslissing.

Deze gedachte werkt bevrijdend, ontlast je van de dodelijke verplichting elk mens te moeten mogen en welwillend te moeten zijn. Natuurlijk is het goed in voorkomende gevallen ‘iemand in nood’ te helpen, maar niet als vanzelfsprekend, alleen vanuit een innerlijke overweging en vrije keuze, welke dus nooit afgedwongen kan worden.

Als derde punt het volgende. Onlangs trof mij een genuanceerde spirituele kijk op de kwestie orgaandonatie. Zoals bekend wordt vanuit een holistische visie niet alleen de eenheid van spirituele dimensie van leven en natuur gesteld, maar ook hoe ’t menselijk lichaam en zijn organen vanuit bewustzijn gevormd worden. Dat geeft ook de heel eigen energie van organen aan die daarom niet zomaar als auto-onderdelen ver- en uitgewisseld kunnen worden. Ze zijn stof en bewustzijnseenheid tegelijkertijd, uniek in elk individu. Dit pleit tegen de uitwisseling van belangrijke, menselijke organen, ook vanwege de verstoring tussen de fysieke en spirituele dimensie, zowel bij de gever als de ontvanger. Dit heeft zelfs zijn doorwerking naar familieleden en omstaanders.

In een boek ‘Over de Goddelijkheid van de mens’ dl II, van Gabriela en Rein Gaastra-Levin, wordt,  op grond van ontvangen inspiraties, o.a. over het onderhavige onderwerp, een visie naar voren gebracht, waarop ik u graag attent maak.

Het gaat met name over de vraag  hoe het eventueel toch mogelijk is tot donorschap en donorontvangst te komen zonder dat de eigenheid van de donor in z’n organen verloren gaat, dan wel die van de ontvanger onmogelijk wordt. Om, bij het afstand doen van een orgaan, verlies van eigen bewustzijnsenergie ( in dit of komend leven) te voorkomen, kan de donor heel bewust de overgang van het fysieke niveau naar het spirituele maken door het orgaan te vragen tot overdracht bereid te zijn en zich van eigen bewustzijn vrij te maken om zo open te staan voor die van de toekomstige ontvanger. Dit wordt dan een proces van leegmaken en opnieuw vullen. Ook degene die de donatie gaat ontvangen dient zich bewust te worden waarom zijn orgaan ziek is en om eenzelfde probleem in de toekomst te vermijden en zo open te staan voor de gave.

Voor familieleden geldt eigenlijk hetzelfde:  zo bereiden zij mede een goede ontvangst voor. Aan de hand van een beschreven ritueel wordt deze gang van zake concreet en beleefbaar gemaakt.

(Over de Goddelijkheid van de mens, deel II; ISBN 90-807478-2-3) (‘Eens viel iemand die op weg was van Jeruzalem naar Jericho in de handen van rovers. Ze plunderden en mishandelden hem en lieten hem half dood liggen. Bij toeval kwam er juist een priester langs die weg; hij zag hem wel, maar liep in een boog om hem heen. Zo deed ook een leviet; hij kwam daar langs, zag hem, maar liep in een boog om hem heen. Toen kwam er een Samaritaan die op reis was bij hem; hij zag hem en kreeg medelijden; hij trad op hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze; daarna tilde hij hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem.( )

Wie van deze drie lijkt u de naaste te zijn van de man die in de handen van de rovers gevallen is? Hij antwoordde: Die hem barmhartigheid betoond heeft. Lucas 10-25)