BOEK JUF

Inhoud:

Inleiding: Ontroerende momenten in 37 jaar onderwijs
De Reünie
Juf, je veter zit al weer (voor de 20e keer) los: 1 april!
1983 “Zwarte…”
Stemmen horen
Schuld
Roofdieren
Genezen van faalangst
Beste vrienden
De boom praat
Lachen om of uitlachen
Hoogbegaafd?
Cijfers…!
Rode strepen
Universeel Kerstfeest

Anna Lamb-Janssen. (Voor velen: “Juf !”)
* Alle namen zijn gefingeerd.

Inleiding: Ontroerende momenten in 37 jaar onderwijs


De prachtige markthal staat precies op de plek waar de willibrordschool stond. Een bijzondere plek dus.

Al reeds toen ik 6 jaar was wist ik dat ik later onderwijzeres zou worden. Toen ik de juffrouw van de toenmalige eerste klas een jongetje een grote mond hoorde geven gevolgd door een flinke draai om zijn oren en ik ervoer hoe bang en vernederd dit kind zich voelde, dacht ik: “Dit doe ik later anders.” En daar heb ik me aan gehouden.

In 1964 stond ik voor de eerste klas van de RK opleidingsschool St. Willibrordus en kon ik een begin maken met het verwezenlijken van mijn grote ideaal.

In welk beroep staat men elke dag voor een groep van zo’n 30 mensen; heeft men elke dag een interactie met zoveel verschillende persoonlijkheden; is elke dag op een bepaalde manier een avontuur….?

Ik bleef dan ook tot 3 weken voor de bevalling van mijn eerste kind werken en nam daarna het aanbod voor het vervullen van een parttime baan op dezelfde school met beide handen aan. In die tijd was een parttime baan in het basisonderwijs uniek. Dit is mede de reden dat ik tot het eind van mijn carrière op de St. Willibrordusschool (later de Willibrordschool) ben gebleven.

De stukjes* die in dit boekje zijn beschreven hebben alle, op een enkele na, op de Willibrordschool plaats gevonden. Ik dank hierbij dan ook alle kinderen aan wie ik zo veel heb mogen ervaren, leren en ontwikkelen.
Misschien kan ik een enkele lezer met dit boekje net zoveel liefde helpen opvatten voor dit prachtige beroep als ik tot het laatste toe (2002) heb gehad…

De Reünie

1964

Mijn eerste dag als onderwijzeres op “de lagere school” zoals dat toen nog heette.
Ik bofte. Mijn eerste klasje bestond slechts uit een clubje van 14 kindertjes.
Het was zowel hun als mijn eerste schooldag.
Ik weet dan ook niet wie nerveuzer was; de juf of de kinderen….

Maar we vielen in elkaar; ik en deze zesjarigen.
Alle veertien jongetjes, want het was een jongensschool, werden me dierbaar. Hans de dromerige professor; John de pientere allesdoener; Eugene de bioloog; Theo de grappenmaker ( met een lichte taalstoornis); enzovoort.

“Wat zou er van ze terecht gekomen zijn?” vroeg ik me menigmaal af. Je eerste klasje is net als je eerste liefde; je vergeet ze nooit. Bovendien kreeg ik een deel van deze klas opnieuw in de vierde klas (de huidige groep zes), waardoor de band nog hechter werd.
Zou ik als juf of de school als geheel ook maar enige invloed hebben gehad op de vorming van hun persoonlijkheid?

2004: 40 jaar later
De brief voor de reünie kwam niet als een verrassing. Het was de derde keer al dat deze klas een reünie hield, maar het was me nog nooit gelukt er aan deel te nemen. Zelfs uit Amerika kwam iemand over, zo graag wilde men aan deze reünies deelnemen.

Ik kwam binnen in een kamer vol oudere mannen en vrouwen. Kale hoofden en grijzende kapsels wisselden elkaar af. Even keek ik zoekend rond, een moment zocht ik de kleine snoetjes van vroeger. Toen stond er een zware kalende man voor me met een bekende grijns op zijn gezicht. Vragend keek ik hem aan terwijl hij mijn hand greep.
“Juf, ik ben Theo.”
“Theootje…!” riep ik blij verrast. Een warm gevoel doortrok me. Ik streelde zijn gezicht en koesterde zijn hand…. De jaren vielen weg.
“Hoe gaat het met je?”
“Goed juf, ik ben nu hoofd van de recherche…”

Enige tijd later liep ik soms zelfs hand in hand met een aantal door de kamer.
Zij weer even kind; ik weer even hun juf…
Pas later realiseerde ik me dat ik daar een gynaecoloog over zijn bol had geaaid; de directeur van een grote fabriek had omarmd; het hoofd van de recherche zijn gezicht had gestreeld en hem Theootje had genoemd…

In de loop van de avond kwam iedere aanwezige aan het woord.
Ze herinnerden zich hun communie, de biologielessen; en iemand grapte dat hij dankzij de seksuele voorlichting uit klas 4… nu vier kinderen had.
Zelfs vonden enkelen dat zij dankzij deze voorlichting begonnen waren aan hun tweede leg…

Juf, je veter zit al weer (voor de 20e keer) los: 1 april!

Het is eind maart…Al enige dagen komen de kinderen ’s morgens rustig de klas binnen.
In een grote kooi op de kast zitten nl twee felgekleurde parkieten; een blauwwitte, Leonidas genaamd, naar een van de voetbalclubs van de kinderen, waarin met blauwwitte shirts wordt gevoetbald en een groene, Groentje genaamd.In de kooi hangt ook een nesthokje en sinds een week krui
pt Groentje, het vrouwtje, steeds het hokje in en uit, wat er volgens een van de kinderen op duidt dat zij eitjes wil gaan leggen.
De vogels hebben hier voor een rustige omgeving nodig. Dit is dan ook de reden dat de kinderen zich al gedurende enkele dagen rustig proberen te gedragen in de klas.Bartje draagt de zorg voor de diertjes. Alleen hij mag elke dag tussen de middag even in het nestkastje kijken of er al een eitje ligt. Hij zet dan omzichtig onder de ogen van de overige 31 kinderen, eerst zijn stoel op zijn tafel; daarna stapt hij via zijn tafel op zijn stoel en dan op de kast. Zo kan hij precies met één hand het dakje van het nestkastje voorzichtig openschuiven en naar binnen gluren.Tot op dat moment nog zonder resultaat….Dan is het …1 april.1 april op school is voor veel leerkrachten een vermoeiende, soms irritante dag. Voor schooltijd begint het voor mij al met: ”Juf, je veter zit los..” Ik kijk argeloos naar mijn schoenen “1 apriiiillll “. Gieren, brullen van het lachen. ”Juf er zit een vlek op je jurk…”. Weer kijk ik automatisch naar mijn kleding en weer klinkt het:”1 apriiiilll”. Tegen dat we het lokaal bereikt hebben ben ik er al diverse keren ingelopen.Na de vraag van een kind uit een andere klas die voor zijn leraar, mijn collega, de map van het 5e kwartaal komt halen, roep ik wanhopig: “Jongens, verzin nou eens iets echt leuks. Je moet een grap verzinnen die je, als je goed nadenkt, door kan hebben!Voor de dag om is zal ik jullie te pakken nemen” beloof ik. De klas joelt.

Ik pieker me suf. Wat zal ik nu eens verzinnen. Dan valt mijn oog op de kooi met parkieten.
In de pauze ga ik snel naar het keukentje en neem een ei uit de koelkast. (Op de eieren van toen stond nog een stempel die de grootte van het ei aanduidde.) Ik leg het grote kippenei in het nesthokje van de parkieten met het stempel naar boven. Het past er net in.

De klas komt binnen. Als iedereen zit staat Bartje plechtig op en zet zijn stoel op zijn tafel.

Iedereen volgt het dagelijkse ritueel.
Bartje opent het nestkastje… Hij deinst achteruit en glijdt langs de stoel naar beneden.: “Juf..
een ei, een vr..vr..eeslijk groot ei..!!”stamelt hij trillend. De kinderen houden hun adem in.
“Hebben ze een eitje gelegd, Bartje? “vraag ik vriendelijk. Hij knikt. “Jongens, dan zullen we vanaf nu heel stil moeten zijn…”
De middag verloopt in grote stilte. Zodra een kind iets te hard praat of iets luidruchtig laat vallen, klinkt er een gesis. “Stil, de vogels…!!!”
Ook Groentje zit stil op zijn stokje, maar dat valt alleen mij op.

Dan gaat de schoolbel.
“Jongens,” zeg ik wanneer iedereen klaar zit om op te staan: “Jullie zijn er allemaal ingelopen, ha…ha…1 april..!!!!”
Met vragende ogen kijken ze mij aan. Ik wijs alleen maar naar de kooi. “Parkietjes, leggen eitjes van 1 cm en zeker niet met stempel, Bart.!”
Oh’s en ah’s; stompen en duwen ..”Wat gemeen, wat gemeen…!”
Bart haalt het ei uit het nest en laat het de klas zien. Hij doet nog even of hij het ei naar mijn hoofd wil gooien. De klas druipt af.

Ik grinnik nog na als ik de schooldeur achter me afsluit.
Dan krijg ik een tikje op mijn schouder met een: “ Juf, u verliest uw sleutels..!” Ik kijk op straat, voel gelijk in mijn zak en draai me om.
Daar staat Bart. Hij roept met een stralend gezicht: “1 April!”
Lachend maar ook een beetje knarsetandend verlaat ik het schoolplein.
1 April, wat een r…dag.

1983 “Zwarte…”

Juf Zwarte.


“Juf…”

Een lief donker gezichtje kijkt me beteuterd aan.
“Wat is er?”
“Juf, hij scheldt me uit; hij noemt me “zwarte”.

Op een afstandje blijft de “boosdoener” met ondeugend schitterende ogen staan.
Ik negeer hem en richt me volledig op het meisje.
“Wat is daar erg aan?” vraag ik, “Je bent toch zwart.”
“Ja maar… ja maar…” Twee dikke tranen rollen over de donkere wangetjes.
Ik kniel bij haar neer en stroop mijn mouw op, een vaalwitte arm tevoorschijn brengend.
Ook stroop ik haar mouw op en houd mijn winterwitte arm naast haar glanzend bruine jonge huidje.
“Welke vind je mooier?” vraag ik lachend.
Aarzelend wijst ze op haar eigen arm.
“Waarom ben je dan zo verdrietig als hij je zwarte noemt?
Ik zou blij zijn met zo’n mooi bruin velletje als jij hebt” zeg ik verbaasd.
“Maar hij scheldt me uit” komt er aarzelend uit.
Hij is boos omdat hij natuurlijk jaloers op dat mooie velletje van jou is en nu probeert hij jou ook boos te maken en dat lukt hem.
Het gezichtje licht op in een triomfantelijke lach.

De boosdoener, nieuwsgierig geworden, is steeds dichterbij gekomen.
Het meisje keert zich naar hem om en roept: “Ik ben lekker bruin en jij lekker niet…!”
Eerst is hij verwonderd en daarna kijkt hij me met een gezichtsuitdrukking van “Pech gehad” even vluchtig aan.
Ik knijp in mijn witte velletje met een: “Dit is ook niet alles, hoor”.
Dan beginnen we beiden te lachen.

“Als je boos bent op haar moet je dit niet als zo iets raars als op een bruine huid af reageren, jongen“, zeg ik dan.
“Maar juf, zij jankt altijd zo gauw, daar word ik zo kwaad om.”
“Zeg dat dan tegen haar, maar dat heeft toch niets met haar velletje te maken.
Ik vind dat je dit goed moet maken.”
Bedremmeld keert hij zich om naar het meisje met een “Sorry, dat ik zwarte tegen je zei.”
“Sorry, sorry, ik ben er juist trots op…” roept ze baldadig.
Ik zie hoe hij zich met een schouderophalen weer bij zijn vriendjes voegt.

Even glijden zijn ogen via de donkere handjes van het meisje naar zijn niet zo schone witte knuisten en ik zie hoe hij snel zijn handen met zijn mouwen bedekt.

Stemmen horen

Al enige tijd werd het team, en vooral de leerkracht van groep 5 geconfronteerd met betrekkelijk grote diefstallen in de klas. Zo was er zelfs een briefje van 50,- gevonden in een kastje van een kind dat er gelukkig onmiddellijk mee naar de leerkracht was gegaan.
Uiteindelijk werd met veel moeite achterhaald wie de dief was.

De kinderen en leerkracht van de klas waren zeer aangedaan.
Het meisje dat deze diefstallen pleegde was niet wat je noemt een type om zo iets te doen. Maar wie schetst onze verbazing toen na dit dramatische gebeuren er weer geld vermist werd.

De directeur besloot nu strengere maatregelen te nemen. Hij schakelde de ouders in en dreigde zelfs met de politie. Die ochtend gingen de kinderen van mijn klas naar een les over de schooltuin. Ik was even vrij.

Het klaslokaal waar ik les gaf bevond zich op de derde etage. Wat nahijgend van de acht trappen die ik zojuist beklommen had kwam ik op de bovenste etage aan. Juist wilde ik mijn lokaal ingaan toen ik iets zag bewegen op de gang. Ik zag hoe het betreffende meisje poogde een raam te openen en toen dit niet lukte, een andere probeerde.
Zij maakte een paniekerige indruk. Ik liep naar haar toe. Tot mijn schrik bemerkte ik dat ze eigenlijk uit het raam wilde springen.
Wanhopig rende zij weg toen ze mij zag, maar aan de andere kant van de gang kwam haar eigen leerkracht ons tegemoet.

“Ze heeft weer geld gestolen,”riep deze vertwijfeld. “En ik kan mijn klas niet alleen laten. Wil jij dit regelen?”
Het wanhopige kind was mijn lege lokaal in gerend en probeerde tevergeefs daar een van de ramen te openen. Ik gebaarde mijn collega dat ik wel voor het kind zou zorgen en deed de deur op slot.
Het kind zat nu weggekropen achter de kast en sprak in zichzelf leek het. Ik werd diep geraakt door de wanhoop die van haar af straalde.

“Alice, je hoeft niet bang te zijn” begon ik…maar Alice hoorde me niet eens.
Ze verborg haar hoofd in haar armen en riep:” De stemmen, de stemmen,  ik moet het van de stemmen…!”
De stemmen die Alice hoorde dreigde haar, dat wanneer zij niet zou doen wat zij wilden, Alice d’r broertje vermoord zou worden. Zij had in haar geest gezien hoe haar broertje door een groot mes was neergestoken.

Wat een wanhoop; wat een vreselijk dilemma voor zo’n jong kind.
Ik deed wat ik al eens eerder in een soort gelijk geval bij een zoontje van mijn vriendin had gedaan: Ik geloofde haar.
Ik pakte beide handen van het hevig trillende kind en hield deze net zo lang vast tot ze rustig werd en ik oogcontact kreeg met haar.
Alice, ik doe niets wat jij niet wil.” Zei ik langzaam, zodat mijn woorden goed tot haar door zouden dringen.
“Laten we samen met je stemmen praten.” vervolgde ik.
“Nee, nee, dat durf ik niet,” riep ze en sloeg haar armen weer om haar hoofd.
Ik kon haar na enkele momenten van overreding zo ver krijgen dat zij bereid was in gesprek te gaan met de stemmen die zij hoorde.

Eerst liet ik haar ervaren dat zij door ongehoorzaam aan die stemmen te zijn niets te vrezen had. Toen zij hierdoor overtuigd was van haar eigen kracht hierbij leerde ik haar de stemmen voortaan te negeren. Ik vertelde dat haar lijfje een stevig holletje was waar niets of niemand door heen kon komen. En dat deze stemmen haar maar wat wijs maakten.

“Als een jongen in de klas zoiets tegen je zou zeggen zou je ook gewoon niet luisteren. Dat moet je naar die stemmen ook doen. Zoek afleiding in spelletjes met kinderen. En zeg tegen jezelf: ik ben de baas over wat ik doe en niemand anders.”besloot ik.

Het kind werd duidelijk rustiger nu ze bemerkt had dat haar ongehoorzaamheid aan de stemmen niet afgestraft werd door de een of andere ten uitvoer gebrachte bedreiging.
In de loop van de dag werden de stemmen minder dwingend hoorbaar, zei ze.

Ik was zeer benieuwd naar de volgende dag…maar…

De volgende dag en de dagen erna is Alice niet meer op school geweest.

De ouders waren in stilte vertrokken met hun kind Kennelijk geschrokken van de mogelijke confrontatie met de politie en de psychiater waarover door de directeur gesproken was.

Schuld

Schuld

“Boem”.

Met een klap botste Roy door een onverwachte beweging tegen Chrysta op. Zij verloor haar evenwicht en viel op haar beurt tegen de stoel, die de schoonmakers onderste boven op haar tafel hadden gezet. Even leek de stoel te aarzelen, om vervolgens met een harde klap eerst het hoofd van Reinbert en daarna de grond te raken.

“Dat deed jij, stommerd!” riep Chrysta. “Nietes, jij bent de schuld; jij hebt de stoel eraf gestoten” en een woedende hand schoot uit. Ondertussen zat de gewonde Reinbert op de grond te huilen.

De andere kinderen in de klas begonnen zich met de ruzie te bemoeien.

De “jij deed ‘t”, “nietes, zij deed ‘t “, waren niet van de lucht.

Ik, als onderwijzeres, ontfermde me over de hevig kermende Reinbert. De beide “boosdoeners” kwamen met angstige gezichten hun onschuld betuigen en werden wat rustiger toen ik resoluut zei: “Niemand heeft schuld.”.

Wat onzeker gingen de kinderen naar hun plaats. Dit werd het onderwerp voor het kringgesprek, voelde iedereen.

“Wat is schuld?”, vroeg ik de groep, en een  nasnikkende Reinbert incluis. Als je iets fout doet” zei er een. “Nee”, zei een ander, “Dat doe je niet altijd expres.” “Dus je hebt schuld als je iets expres fout doet?”, vroeg ik. Iedereen was het hiermee eens. “Roy, botste jij expres tegen Chrysta?” Opgelucht schudde Roy nee met z’n hoofd.

“Ja maar juf,  toch moeten ze uitkijken” vond er een. “Zeker”, antwoordde ik. “Roy, zal je nu wat voorzichtiger zijn?” “Ja juf, vooral als er stoelen op de tafels staan.” “En Chrysta?” Ook Chrysta beloofde voortaan beter uit te kijken.

“Dan hebben jullie nu een les geleerd”, riep ik vrolijk. “Maar die arme Reinbert, wat heeft hij aan die les overgehouden?” Een bult”, riepen enkelen. “Ja en jullie hebben hem niet geholpen; jullie gingen ruzie zoeken in plaats van Reinbert te helpen. Dat maakte ’t nog een beetje akeliger voor Reinbert.” Iedereen knikte wat verbaasd. “Dus fouten mag je maken als je ze maar weer zo goed mogelijk herstelt en .. er van leert…” De klas was doodstil. Je zag iedereen denken.

“Wie van jullie heeft ook wel eens een fout gemaakt, waarvan hij de schuld kreeg zonder dat hij het expres deed?”

Een tiental vingers schoot de lucht in.

Arjan kreeg de eerste beurt.

“Mijn oma heeft toen ze op sterven lag mijn zus een heel mooi beeldje gegeven. Toen mijn zus niet thuis was, ben ik haar kamer ingegaan om ’t beeldje eens goed te bekijken en toen….(even moest hij slikken)  heb ik ’t beeldje laten vallen. De scherven heb ik onder haar bed geschoven. Ik kon die nacht niet slapen. Eerst heeft mijn zus overal gezocht. Toen ze de scherven vond, wist ze natuurlijk dat ik ’t gedaan had. Voor straf mocht ik die week geen TV kijken en kreeg ik drie maanden geen zakgeld.”

Met de klas keken we naar de schuld van Arjan en kwamen we tot de conclusie dat hij het beeldje niet expres gebroken had. Dat luchtte hem onbeschrijfelijk op.

“ Wat heb je er van geleerd Arjan”, vroeg ik. “Dat ik niet stiekem moet zijn” gaf hij grif toe, “en voorzichtig zijn vooral met de spullen van een ander”.

Er ontstond een massale drang in de klas om misstappen op te biechten.

Een van de verhalen was van Vinny.

“Toen mijn tante op bezoek kwam, was mijn neefje nog maar een baby. Ik was toen ongeveer zeven jaar”vertelde ze. “Toen iedereen even weg was, heb ik de baby uit de kinderwagen gehaald en ben ik  met hem gaan spelen. Ik heb hem zelfs boven mijn hoofd gehouden, zoals mijn oom dat dikwijls deed en toen heb ik de baby laten vallen.” Dikke tranen stroomden over Vinny’s gezicht.

De klas luisterde ademloos.

Ook Vinny kon zichzelf op deze mooie, bijzondere, ochtend in ’n gewone klas van een Rotterdamse school, vergeven en zich de les bewust worden, die aan deze ervaring verbonden was.

Een zucht van verlichting ontsnapte aan haar keel. En ik kon even zien hoe een grauwgrijze nevel loskwam uit haar aura en verdween….

Roofdieren

“Lucie, let op!”
Lucie onderdrukte een geeuw en schoot overeind. Ook enkele andere kinderen gingen rechtop zitten. Ik zat achter in de klas. Voor me lag een formulier dat door mij ingevuld moest worden als beoordeling van een les die een Pabo-student aan het geven was. Ik had veel moeite om te luisteren. Zonder enige intonatie stroomden de woorden over de hoofden van de kinderen. Hun houding was dan ook ongeïnteresseerd. Velen droomden weg, anderen zaten stiekem briefjes te schrijven of te spelen. Bij een vraag ging slechts een enkele vinger de lucht in.
Voor de zoveelste maal ging het door mij heen: “Waar zijn we mee bezig?”
Kinderen die van nature onderzoekend, nieuwsgierig, ondernemend zijn, worden urenlang, passief luisterend, in de banken gezet!!! Hoe tegennatuurlijk. Helaas zit ons onderwijs nog steeds zo in elkaar. Maar dan moet er op z’n minst op een sprankelende, levendige en boeiende wijze les gegeven worden.

Tijdens de nabespreking barstte de studente, na mijn opmerking: “Dit was een college-les”, in tranen uit. “Ik kan het niet”, snikte zij, “en vanmiddag komt mijn leraar van de Pabo naar de les over roofdieren luisteren.”

Een zin uit een ver verleden kwam in mij op. “Wanneer U de slang wilt verslaan, word slang!”
Spontaan riep ik: “Voel je roofdier, word roofdier.” Onmiddellijk liet het meisje haar starre houding los. Zij begreep gelijk wat ik bedoelde. Zij ontblootte haar tanden en kromde haar vingers Wij lachten beiden.

Die middag hingen de kinderen aan haar lippen. De leraar incluis. De woorden rolden uit haar mond en tijgers, poema’s en panters kwamen tot leven. De kinderen knepen hun ogen dicht, kromden hun lichaam en slopen door de klas op zachte kussen-voetjes. Geen kind dat niet oplette of grapjes maakte.
En een goede lerares was geboren.

’s Avonds realiseerde ik me dat deze les symbool stond voor het leven zelf.
Je kunt het leven aan je laten gebeuren, over je heen laten gaan. Je kunt ook echt mens worden, totaal en vol vertrouwen je begeven in een oerwoud van ervaringen, je zintuigen tot het uiterste gespitst; klaar voor de sprong naar bewustwording. De tanden ontbloot om (geestelijk)’t voedsel tot zich te nemen…
een panter gelijk.

Genezen van faalangst

Juffrouw Monie, de zanglerares, wat een fenomeen was dat.

Zij koppelde de inhoud van haar lessen aan de totale vorming van de kinderen. Zij liet de kinderen niet alleen zingen, maar gaf ook uitgebreide lessen in toneel, dans en beweging.

De ontwikkeling van de muziek in de laatste jaren werd de kinderen ten gehore gebracht; er werd op gezongen en gedanst en tenslotte werd er een uitvoering voor de ouders gegeven.

In dat proces zag je de kinderen veranderen soms van angstig mompelende en schuifelende figuurtjes in zelfbewuste open, spontane kinderen.

Moeilijker was dit dan ook voor de kinderen die tijdens het schooljaar van school veranderd waren en dus nieuw in de klas kwamen. Zij bevonden zich ineens midden in de bestaande zich vrij en zelfbewust bewegende en zingende groep kinderen. De meesten wisten zich in het begin met hun houding geen raad.
Zoals Andy.

Andy kwam van een strenge opleidingsschool. Hij was daar zeer gefrustreerd geraakt en durfde zelfs bijna niet te schrijven uit angst te falen. Zijn houding was totaal verkrampt; hij sprak alleen in een-woord zinnetjes. Men kreeg nauwelijks oogcontact met hem en de kinderen die op vriendelijke wijze contact trachtten te maken, snauwde hij af.

Toen was het zangles.
Zoals de gewoonte was stelde Monie zich voor aan het nieuwe kind en ze zag al snel wat voor vlees zij in de kuip had. Ze zette hem op een plaats achterin. De kinderen zongen en deden hun balletvoordracht. Andy bleef aan de kant zitten. Met zijn handen in zijn zakken keek hij vanuit zijn ooghoeken naar de kinderen
Er heerste op school een cultuur waarin ieder kind binnen redelijke grenzen zijn gang mocht gaan. Dat was ongetwijfeld de reden dat geen van de kinderen echt op hem lette.

Bij de volgende opdracht stond hij op. Langzaam kwamen zijn voeten in beweging en hij maakte de eerste pasjes. Bij het knippen met de vingers kwam er een hand uit zijn zak en knipte hij af en toe mee.
Hij keek steeds om zich heen, maar nog steeds lette niemand op hem.
Ook Monie reageerde alsof het allemaal vanzelfsprekend was wat hij deed.
In de loop van de les werden zijn bewegingen steeds nadrukkelijker. Ook hoorde ik bij het zingen een zacht bromgeluid uit zijn mond komen.

In de laatste herhaling deed hij volledig mee. Af en toe keek hij naar ons of we speciaal op hem letten, maar wij negeerden hem zoveel mogelijk.

Na de les kwam hij met een voorzichtige glimlach naar me toe en zei zacht: “Juf, ik kan het..ook!”
“Zo”, sprak ik bewonderend, “Nu al?”
Hij knikte blij en liep met opgeheven hoofd naar de andere kinderen.

Monie en ik groetten elkaar met een dikke knipoog.

Beste vrienden

vrienden

De klas( groep 6) komt binnen na de pauze. Ik loop aan het einde van de rij die geacht wordt stil door de gang te gaan, daar andere klassen nog les hebben.

Dan klinkt er een enorm kabaal van vooraan in de rij. Twee jongens rollen vechtend over de grond. Een van hen gromt zelfs. Een meisje komt met grote ogen naar me toe. “Juf,” roept ze verschrikt en verbaasd,” Het zijn Alex en Mark!”
Iedereen kent hen als twee gezworen kameraden, die altijd voor elkaar opkomen.  En nu zijn ze aan het vechten!
Ik loop naar voren en trek de twee vechtenden uit elkaar. ”Juf, Mark begon me ineens te slaan.” Roept Alex. “En hij schold me uit voor rotzak” roept Mark op zijn beurt.
Aan hun geëmotioneerde gezichten zie ik dat deze ruzie heel diep gaat.

Ik zet ze tegenover elkaar, zodat ze elkaar aankijken. Ik herhaal de laatste opmerking en zeg tegen Mark: “Alex noemde jou een rotzak?”
“Ja juf. Maar….” richt Alex zich tot mij, maar ik draai hem met zijn gezicht naar Mark toe en dwing hem zich op hem te richten met een: “Zeg het tegen hem zelf, Alex”.
“Mark, jij kan nergens tegen, ik zeg tegen andere jongens toch ook  wel eens zo iets… die gaan dan toch ook niet ineens slaan” vindt Alex verontwaardigd.” Toen Eric jou gisteren een klootzak noemde, vond je dat helemaal niet erg!”
“Nee, logisch”, vindt Mark nu. ”Van hem kan me dat niets schelen, maar jij bent mijn beste vriend.”

Deze opmerking is raak. Alex zijn gezicht verzacht in een blije schok. Ze zien mij niet meer, alleen elkaar.
”Jij bent ook míjn beste vriend,” zegt Alex zacht…
“Daarom vond ik dat zo erg, Aal,“ hoor ik nog terwijl ze samen hevig pratend de klas in lopen en twee armen kruipen om elkaars schouders.

De boom praat

de boom praat


Het is biologieles.
Groep 6.
Bomendag.
Dat betekent dat heel de dag en al de lessen in het teken van bomen staat.

Ik heb gezorgd dat we precies die rekenles deden (het meten) die we bij deze bomendag konden invoegen. Zo hebben de kinderen de omvang van de stammen van diverse bomen gemeten, en bepaalde dikkere takken. Zo ook de lengtes van hun stam. En door de hoogte van de schaduw te meten leerden ze de lengte van de wortels te bepalen.

De kinderen telden jaarringen, en plaatsten de bomen in hun tijd. Van gebruiksvoorwerpen van hout werd een kleine tentoonstelling samengesteld.

In groepjes werden teksten over bijzondere bomen en landen van oorsprong opgezocht, Er werden opstellen gemaakt, spreekwoorden gezocht en een prachtige tekenles over de warme en koele kleuren van de stam, voltooide deze dag in de klas.

Tot slot gingen we met al deze kennis naar buiten en we zochten dieren die in een boom leven en schudden aan de takken om zo de kleinere diertjes op te vangen en te bekijken. We groeven in de grond naar de diertjes die daar leefden en keken naar de planten die aan de voet van bomen groeien of we maakten een afdruk van de schors.

Vol overgave legden de kinderen tenslotte hun handen op de boomstammen rond de speelplaats om de voedingsstroom in de boom te ervaren Meer dan de helft van hen voelde de energie als trillingen in hun hand.

Tot slot kwam gevoelige Esther naar mij toe rennen, iets roepend waar prinses Irene jaloers op geweest zou zijn. Zij riep:
“Juf, juf, de boom praat tegen mij, hij vindt het hier stoffig!”
Geen enkel kind moest lachen…

Lachen om of uitlachen

Een van de meest humorvolle situaties op school vond zo’n enkele jaren geleden plaats.

De school – waar ik parttime werkte – staat in het centrum van Rotterdam. Dientengevolge bestond het leerlingenbestand voor vijftig procent uit kinderen die uit Suriname afkomstig waren. De andere helft omvatte zo’n vijf en dertig andere nationaliteiten.

Daar de meeste kinderen uit gezinnen kwamen waarvan de beide ouders werkten,  bleef bijna elk kind over. Op de speelplaats speelden in de middagpauze zo’n twee honderd kinderen.

Rondom de speelplaats bevond zich een hoog hek. Geen enkel kind waagde het de speelplaats te verlaten of over het hek te klimmen. Dikwijls stonden pauzerende voorbijgangers naar de spelende kinderen te kijken, Velen hielpen over het hek getrapte ballen of weggerolde knikkers te halen, daar het de kinderen verboden was (uit veiligheidsoverwegingen) zelf hun speelgoed te pakken dat buiten het hek gekomen was.

Tijdens de pauze op die bewuste middag werden we binnen opgeschrikt door een immens lachsalvo, afkomstig van de speelplaats. Alle kinderen verdrongen zich tegen de hekken.

Tot onze grote verbazing stond daar een keurig geklede dame met de kinderen te praten, waarna zij, kennelijk voor de tweede keer, zich omdraaide, haar rokken optilde en een kraakheldere witte onderbroek toonde.

Een komiek had geen groter succes kunnen hebben. Weer weerklonk een lachsalvo en tientallen kinderen sloegen zich op de benen en rolden zelfs over de grond van het lachen. Dit tot groot verlegenheid van de surveillerende leerkrachten.

Tevergeefs trachtten wij de kinderen bij de hekken weg te halen.

Ze hoorden ons niet eens.

Een woordeloos samenspel ontstond tussen de oude dame en de honderden kinderen. Tevreden keek zij naar de lachende kinderen; herhaalde nog enkele malen haar handeling en stak toen de straat over.

Aan de overkant aangekomen plaatste zij daarna omzichtig haar tas op de grond, tilde toen behoedzaam de voorkant van haar rok op en toonde zich links en rechts aan de toekijkende voorbijgangers, maar vooral aan de kinderen. Spontaan brak er een applaus los. De oude dame boog diep, pakte met zwier haar tas op en liep weg zonder om te kijken.

Nog nalachend kwamen de kinderen binnen.

Hoe moet je als leerkracht met zo’n situatie omgaan vanuit echtheid?

Het zien van de lachende, over de grondbuitelende kinderen, had onszelf zo doen lachen dat de tranen over onze wangen rolden. Toch voel je je een beetje schuldig, omdat je een kennelijk dementerende dame hebt uitgelachen.

Ik besloot het probleem aan de kinderen voor te leggen.

“Ze doet het toch zelf”, vond de een. “Ze vond het zelf ook leuk”, kwam een ander. “’t zal je oma zijn”, sprak een derde. Even werd iedereen stil.

Ik vertelde dat ik ook erg had moeten lachen, maar dat ik me ook een beetje schuldig voelde. Hoe ga je met zo’n situatie om?

“Ik vind het zielig”, vond een klein meisje.

“Joh, die mevrouw was toch niet wijs; wat geeft het dan? Ze vond het toch leuk.” Een heftig gesprek ontspon zich. Moet je anders omgaan met iemand die niet wijs is?  Is je eigen gevoel over zoiets belangrijk of het gevoel van het slachtoffer?

Een opmerking trof me. “Juf, we lachten haar niet uit, wij lachten om haar”. Inderdaad, daarom twinkelden er sterretjes boven hun hoofden, toen zij lachten. “t Was een samenspel tussen onbevangen zielen geweest.

We kwamen tot de conclusie dat je wel mag lachen om iemand, maar niet iemand mag uitlachen. Dat het niet uitmaakt of je lacht om iemand, die verstandelijk gehandicapt is of “normaal”. Een mens is een mens, of  ’t nu een verstandelijk gehandicapte,  een volwassene of een  kind is.

“Als iemand door jouw lachen minderwaardig wordt, moet je je lachen inhouden” vond er een. “Werd deze mevrouw minder waard door ons?” vroeg ik. “Nee”, riep de hele klas. “Het was een heel leuke mevrouw”, merkte een van de kinderen op. Ik hoop dat ze nog eens langs komt.

“Misschien doet ze haar broek dan wel uit”, grinnikte een baldadige jongen.

Maar goed dat er ook rekenboeken zijn op school, want die liet ik ze gauw op de bank nemen, zodat ze allemaal met hun hoofd in de kastjes moesten kijken en zo mijn rood aangelopen gezicht van het ingehouden lachen, niet konden zien.

Die middag heerste er een ontspannen vrolijkheid. Zelfs de moeilijkste hoofdrekensommen werden met plezier gemaakt en dat wil wat zeggen….

Hoogbegaafd?

In groep 7 (de toenmalige 5e klas) van dat jaar zat een meisje, Simone, die al 2 keer was blijven zitten. Het zag er naar uit dat dat dit jaar weer ging gebeuren, te oordelen naar haar schoolresultaten.
Simone maakte over het algemeen een gesloten, wat verdrietige indruk. Zij had bijna nooit vriendinnetjes, daar zij een beetje oma -achtig over kwam en erg ouderwets gekleed was.

Het meest verwonderlijk echter was haar gedrag onder een aantal lessen, zoals biologie, godsdienst en creatieve vakken. Dan zag je een andere Simone. Dan was zij zeer actief en geïnteresseerd en haalde zij zeer goede resultaten. Vooral haar houding tijdens bepaalde kringgesprekken was totaal anders dan in de overige lessen. Ze gaf zeer bijzondere en wijze antwoorden op soms extreme levensvragen. Haar inbreng en uitleg getuigden hier van een zeer hoge intelligentie en grote wijsheid voor zo’n jong kind, waar haar leerresultaten vreemd bij afstaken want er verschenen onder haar gewone leerwerk hoofdzakelijk onvoldoendes.

Ik besloot haar (toen nog bij uitzonderlijke gevallen mogelijk) aan te melden voor een psychologisch onderzoek.

De uitslag was zo uitzonderlijk dat de psycholoog naar school kwam om dit ons persoonlijk mee te delen en een werkplan samen te stellen.

Het bleek dat Simone een IQ bezat dat zo hoog was dat deze met de bestaande tests niet te meten was. Ook kon er geen sprake zijn van een therapie daar zij deze doorzag en de psycholoog meer door had dan hij haar.
Ze was zo dol op de vakken waarin ze wel actief meedeed, dat er werd besloten om haar bij ons op school te laten en vooral niet te laten zitten.

Mij, de klassenleerkracht, werd gevraagd haar dit allemaal mee te delen.
Aldus besprak ik de uitslag van de tekst met haar. Ze was niet bepaald onder de indruk van het resultaat. Ze had liever geleerd hoe ze vriendinnetjes kon maken zei ze.

“Als je maar weet, Simone,” sprak ik, “dat een gebrek aan vriendinnetjes niet wil zeggen dat je geen fijn mens bent”.
“Nee, juf”, zei ze wijs met haar wat trage, slome stem. “De kinderen vinden me niet leuk omdat ik er niet zo leuk uitzie. Mijn moeder maakt al mijn kleren zelf en ik zeg haar niet dat ze niet leuk zijn, want mijn moeder doet zo haar best voor me. Maar kinderen moeten me niet.
Het is echter niet goed voor me dat ik geen vriendinnetjes heb. Daarom heb ik thuis een aantal kooien met parkieten. Dieren kijken er niet naar hoe je er uit ziet. Ze letten er alleen op of je van ze houdt en goed voor ze zorgt. En dat doe ik heel goed. Zo krijg ik dan toch liefde, maar van hen.

Want, juf, zonder liefde kan een mens niet leven….!!!”

Zo werd Simone van 11 haar eigen therapeute.

Cijfers…!

cijfers

Groep 8 heeft mandalatekenen.
Het onderwerp is: Teken hoe je leeft boven de grond en daarna hoe je leeft onder de grond.
Dit is een zeer indringende opdracht waarin het kind veel over zichzelf leert kennen.

De tekening van Gregory is het eerst klaar. Hij komt naar me toe en samen spreken we eerst over alle ruimtes boven de grond.  Zo vraag ik terloops waarom hij de gordijnen dicht heeft getekend in zijn huis boven de grond, daarna kijken we naar zijn ruimtes onder de grond: zijn ze gemakkelijk te bereiken; waarvoor dienen ze; zijn ze tot aan de bodem getekend of alleen bovenin enz..

Hij mag zelf zijn tekening op het prikbord hangen.
Even aarzelt hij en komt dan weer terug naar mijn bureau met de vraag om een cijfer.
“Geef jezelf maar een cijfer, Greg, Ik weet heus niet beter of dit mooi is dan jij.” Vind ik.
“Maar juf,” zegt hij verontwaardigd, “Dan geef ik mezelf toch een 10”. “Als jij vindt dat je een 10 verdient voor die tekening, geef jij jezelf toch een 10.” zeg ik geslepen.

Aarzelend schrijft hij een 10 aan de achterkant van zijn blad.
Ik blijf met een stalen gezicht naar hem kijken.
Ook hij kijkt mij aan. Ik lach hem bemoedigend toe.
Dan zet hij kordaat een streep door de 10.
“Juf,” roept hij vertwijfeld. “Ik vind het helemaal geen 10 !”
“Wat vind je het dan?” vraag ik lachend.”Hoog uit een 6, juf !”
“Zet dan een 6 neer.” Bemoedig ik hem weer.
“Vindt u het een 6, juf?” probeert hij weer.
”Als het mijn tekening zou zijn zou ik het geen 6 geven.” Houd ik vol.
Ook de 6 wordt doorgestreept.

“Ik vind het eigenlijk een 7”, zegt hij dan zacht, “maar dat zet ik er niet op”.
“Waarom niet Greg,” vraag ik.
“Dat vind ik zo laag, juf.Ik geef mezelf liever een 9”
“Zet er dan een 9 op,” weerspreek ik weer.
“Maar juf, het is geen 9!”
“Nee, maar een 7 wil je jezelf niet geven,” probeer ik weer.
Even wacht hij: “Ik geef mezelf wat ik verdien,” zegt hij tenslotte en hij zet resoluut een 7 op zijn tekening…

Op mijn cijferlijst zet ik een 7 achter zijn naam.

Rode strepen

Dinsdagochtend, rekenles.

Dionne staat naast mijn bureau en haar lip gaat steeds meer hangen als ik onder bijna al de door haar gemaakte sommen een rode streep zet.
“Begrijp je ze niet, Dion?” vraag ik zacht.
Met vochtige ogen schudt zij haar hoofd.
“Dan leg ik ze gewoon nog eens voor je uit.”
Op een oefenblaadje zet ik wat voorbeelden en ik laat de berekeningen zien.
Daarna maakt zij met veel moeite zelf enkele voorbeelden.
Zuchtend gaat ze zitten.

Ik ga verder met de andere kinderen die een voor een bij mijn tafel komen om hun werk te laten controleren.
Als laatste komt Dionne weer met de “verbeterde” sommen… en weer verschijnen onder alle sommen rode strepen.
We kijken elkaar aan.
Ik zie de trieste blik in haar anders zo vrolijke gezicht.
Heel haar zelfvertrouwen is verdwenen.
Dit is te gek, flitst het door me heen.
Wat doen we onze kinderen aan?

Ik leg een paar eenvoudigere vormen van de sommen uit.
En weer gaat ze naar haar plaats om enkele sommen nu zelf te proberen.
Met tegenzin zet ik even later opnieuw rode strepen onder bijna alle door haar gemaakte sommen.
Ze krimpt bijna ineen.

We kijken elkaar aan. Ik voel hoe er heel langzaam een lach in me opwelt.
“Het staat wel fleurig al dat rood, Dionne…” fluister ik.
En verder: “Je bent wel een wonder, maar geen rekenwonder… Je zult het in je leven waarschijnlijk met een rekenmachientje moeten doen.
Je hebt geen 1 maar een 2… Het lijkt wel een mars!”

Dan schiet ik in de lach.
Voorzichtig komt er ook een glimlach op het gezicht van het kind.
We beginnen allebei uitbundiger te lachen.

De andere kinderen stoppen met hun werk en grijnzen met vragende ogen mee.
Als altijd is de klas wel in voor een lolletje.
Nog even aarzelt Dionne: ”Juf, ik kan het echt niet”.
“Ach kind, het is maar rekenen…” schokschouder ik.

Ze knikt opgelucht en met rechte rug en geheven hoofd gaat ze naar haar plaats…

Universeel Kerstfeest

(1991)

De klas was gehuld in het warme licht van tientallen kaarsvlammetjes. Elke morgen in de kersttijd werd er een verhaal voorgelezen, afgewisseld met het zingen van kerstliedjes.

Ieder kind had zijn eigen kaarsje voor zich.

Doodstil en vol aandacht keken de grijze, blauwe, donkere en vele bruine ogen mij aan. Zestien nationaliteiten in één klas, met vele verschillende culturele achtergronden en religies. Hoe kon je als leerkracht en leerlingen elkaar in eenheid ontmoeten tijdens het Kerstfeest?

Het licht ging weer aan. Ieder kind kreeg een blad voor zich met daarop een cirkel. Voor hem stond een mandje met kleurpotloden.

Ik sprak met hen over vrede; dat wij bij de vrede in onszelf kunnen komen als we onze gedachten en gevoelens even proberen stil te leggen. Zo kun je contact krijgen met een diep gevoel van vrede in jezelf.

“Als je wilt, sluit je je ogen, zodat je niet afgeleid wordt en zal ik een muziekje aanzetten dat ook “Vrede” heet. Als je wilt, mag je in de cirkel gaan tekenen hoe jouw vrede er uitziet. Ik heb een potje met echte gouden verf en een penseel waarmee je het mooiste plekje in je tekening goud mag maken”, besloot ik.

Zonder enig commentaar sloot ieder zijn ogen. Er daalde een gezegende stilte in de klas. Ontroerd keek ik naar de verstilde gezichtjes, die vol overgave hun eigen innerlijk pad betraden.

Bij Lonneke stroomden spontaan de tranen over de wangen. Ik ging naast haar zitten en vroeg of alles goed ging.

“Ik voel zo veel verdriet, juf”, fluisterde zij. “Kijk er eens onder” sprak ik zacht terug. Even was het stil. “O juf, ik zie allemaal licht, goud..” en toen “ juf, ik zie twee handen. Ze willen mij helpen.” Door haar tranen heen, straalden haar ogen. “Als je wilt, mag je het tekenen”, zei ik. Zo ging ik naar ieder kind.

Ik zie alleen maar een grijze mist”, sprak een jongen, van wie ik wist dat hij heel veel verdriet in zich had. “Ga maar tekenen”, zei ik, en laat onder die mist de zon eens schijnen.” Blij verbaasd tekende hij vol overgave zijn eigen, voor hem nu zichtbaar geworden licht.

“Juf”, giechelde een klein ondeugend meisje, “Ik zie alleen maar sterretjes fonkelen.” Haar cirkel was vol getekend met allemaal prachtige, gouden sterretjes.

Louis zijn tekening was voor een groot gedeelte gevuld met zwart. Het centrum bestond uit een grote, gouden ster. Louis keek stil met een ernstig gezicht naar zijn tekening. Met betraande ogen keek hij mij aan. Het verdriet dat de scheiding van zijn ouders hem had aangedaan, lag nog vers op zijn gezicht. “Nu weet je Louis, dat als je verdriet hebt je vrede en rust kunt vinden bij die gouden ster van vrede in jezelf.” Hij knikte en gerustgesteld tekende hij weer verder.

Als laatste kwam ik bij Sandra. In haar cirkel straalde een prachtige gouden ster als een explosie van het mooiste gouden vuurwerk. Aan de randjes had zij rode hartjes getekend.
“En San, hoe ging ’t bij jou”, fluisterde ik zacht. Met een gelukkige glimlach keek zij mij aan en wat verbaasd zei ze zacht: “Juf, er is binnen in mij alleen maar liefde!”.
Ik knikte ontroerd.

Begrijpt U nu waarom ik zo lang schooljuffrouw bleef?

Vooral met Kerstmis?


Bewustwording en integratie van spiritualiteit