Tagarchief: Orgaandonatie

Orgaandonatie ja of nee!?

  • Auteur: Peter Lamb

vlinderblauwBij het gesprek over orgaandonatie wil ik drie kanttekeningen plaatsen. Als eerste, dat het mij opvalt dat, bij alle argumenten pro en contra orgaandonatie,  er een is die, voor zover mij bekend, ontbreekt en wel de meest voor de handliggende: de aanvaarding dat het leven zoals het zich aandient en verloopt, nu eenmaal beperkt in jaren is. Vanuit deze visie is het voor te stellen dat orgaandonatie noch orgaanacceptatie een plaats hebben.

Ik realiseer me goed dat deze gedachte wel heel haaks staat op de heersende trend van ‘Make me beautifull’, om zo lang mogelijk mooi, jong en gezond te lijken. Het is een handelwijze die de ‘Maakbaarheid van het leven’ propageert en waaraan niet te ontkomen lijkt.

Begrijp me goed, ik sta open voor elke argumentatie organen te schenken en te ontvangen, zelfs voor de gedachte dat ook de medische mogelijkheden in deze (al dan niet bewust) inspiratief ontvangen zijn, legitiem en te waarderen. Ik wil alleen maar aan bovenstaande gedachte een eigen waarde toekennen. Dat het leven, oneerbiedig gezegd, beperkt houdbaar is; voor elk mens, met een onbekend, verschillend aantal jaren. En dat hij ‘t daar mee doet.

Naast het toevoegen van nog een argument in de discussie wel of geen donatie, is er een ander punt dat het denken en beslissen in deze kwestie kan vertroebelen.

De druk die in alle toonaarden, vanuit overheid, maatschappelijke stromingen en kerkgenootschappen wordt uitgeoefend om orgaandonatie te promoten, kleurt veelal een ander standpunt in deze als bijna mens-vijandig, of doet deze tenminste op grond van een morele plicht af  wijzen. Een in vrijheid, vanuit eigen keuze (anders) genomen besluit, krijgt nauwelijks een kans.

‘Wie in onze heer Jezus Christus gelooft, die zijn leven tot redding van alle mensen heeft gegeven, zou in de dringende behoefte aan tijdig te verkrijgen organen een oproep moeten zien tot edelmoedigheid en broederlijke liefde’, aldus Johannes Paulus II.

Er wordt hier vanuit gegaan dat sindsdien een verhulde natuurwet in de mens ligt, als vaststaand gegeven, dat elk mens de ander z’n naaste is. Om dit toe te lichten wordt verwezen naar het verhaal van de barmhartige Samaritaan uit het Nieuwe Testament. (voor de tekst zelf: zie onderaan)

M.i. gaat het daarin niet om de bevestiging dat ieder mens de ander z’n naaste is, wel dat een ander z’n naaste kan worden, afhankelijk van de relatie die hij aangaat. Alleen zo is de vraag:  ‘Wie is de naaste van de man die overvallen werd?’ te begrijpen. De Samaritaan dus, en niet de leviet en de priester.( die ook de vrijheid hadden ‘t wel of niet te worden, maar er voor kozen ‘t niet te zijn). Je komt iemand nabij, wordt zijn naaste, als je iets met hem aan wilt gaan, op grond van een keuze, een eigen beslissing.

Deze gedachte werkt bevrijdend, ontlast je van de dodelijke verplichting elk mens te moeten mogen en welwillend te moeten zijn. Natuurlijk is het goed in voorkomende gevallen ‘iemand in nood’ te helpen, maar niet als vanzelfsprekend, alleen vanuit een innerlijke overweging en vrije keuze, welke dus nooit afgedwongen kan worden.

Als derde punt het volgende. Onlangs trof mij een genuanceerde spirituele kijk op de kwestie orgaandonatie. Zoals bekend wordt vanuit een holistische visie niet alleen de eenheid van spirituele dimensie van leven en natuur gesteld, maar ook hoe ‘t menselijk lichaam en zijn organen vanuit bewustzijn gevormd worden. Dat geeft ook de heel eigen energie van organen aan die daarom niet zomaar als auto-onderdelen ver- en uitgewisseld kunnen worden. Ze zijn stof en bewustzijnseenheid tegelijkertijd, uniek in elk individu. Dit pleit tegen de uitwisseling van belangrijke, menselijke organen, ook vanwege de verstoring tussen de fysieke en spirituele dimensie, zowel bij de gever als de ontvanger. Dit heeft zelfs zijn doorwerking naar familieleden en omstaanders.

In een boek ‘Over de Goddelijkheid van de mens’ dl II, van Gabriela en Rein Gaastra-Levin, wordt,  op grond van ontvangen inspiraties, o.a. over het onderhavige onderwerp, een visie naar voren gebracht, waarop ik u graag attent maak.

Het gaat met name over de vraag  hoe het eventueel toch mogelijk is tot donorschap en donorontvangst te komen zonder dat de eigenheid van de donor in z’n organen verloren gaat, dan wel die van de ontvanger onmogelijk wordt. Om, bij het afstand doen van een orgaan, verlies van eigen bewustzijnsenergie ( in dit of komend leven) te voorkomen, kan de donor heel bewust de overgang van het fysieke niveau naar het spirituele maken door het orgaan te vragen tot overdracht bereid te zijn en zich van eigen bewustzijn vrij te maken om zo open te staan voor die van de toekomstige ontvanger. Dit wordt dan een proces van leegmaken en opnieuw vullen. Ook degene die de donatie gaat ontvangen dient zich bewust te worden waarom zijn orgaan ziek is en om eenzelfde probleem in de toekomst te vermijden en zo open te staan voor de gave.

Voor familieleden geldt eigenlijk hetzelfde:  zo bereiden zij mede een goede ontvangst voor. Aan de hand van een beschreven ritueel wordt deze gang van zake concreet en beleefbaar gemaakt.

(Over de Goddelijkheid van de mens, deel II; ISBN 90-807478-2-3) (‘Eens viel iemand die op weg was van Jeruzalem naar Jericho in de handen van rovers. Ze plunderden en mishandelden hem en lieten hem half dood liggen. Bij toeval kwam er juist een priester langs die weg; hij zag hem wel, maar liep in een boog om hem heen. Zo deed ook een leviet; hij kwam daar langs, zag hem, maar liep in een boog om hem heen. Toen kwam er een Samaritaan die op reis was bij hem; hij zag hem en kreeg medelijden; hij trad op hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze; daarna tilde hij hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem.( )

Wie van deze drie lijkt u de naaste te zijn van de man die in de handen van de rovers gevallen is? Hij antwoordde: Die hem barmhartigheid betoond heeft. Lucas 10-25)

Overpeinzingen over orgaandonatie

  • Auteur: Ed Brink

cirkel1Orgaandonatie is momenteel een onderwerp van gesprek. Al vele jaren wordt gedacht over orgaandonatie als een methode om mensen langer te laten leven. Vanuit overheidswegen zijn diverse regelingen getroffen om het aantal donoren te doen verhogen. Wat juist opvalt is dat ondanks de vele maatregelen er niet meer donoren komen. Wat kan hier de oorzaak van zijn? Wat wordt niet gezien? Vanwaar de vele aarzelingen? Wat beweegt ons om er niet voor te kiezen?

Zelf heb ik jaren lang met een donorcodicil rondgelopen. Ik was overtuigd dat het zinvol was om me als donor te laten registreren. Immers als ik eenmaal dood ben dan heb ik niets meer aan mijn organen en als een ander er dan langer door kan leven leek mij dat een goede mogelijkheid. Ik leefde in die tijd vanuit een meer materialistische visie. Alles is beredeneerbaar en staat los van elkaar.
Later is mijn blik verruimd. Ik ben meer het totale van het leven en de wereld gaan zien. Ik ben mijn lichaam meer als een geheel gaan zien en dat er overal verbinding met het geheel is. Ik ben mijzelf meer gaan beschouwen als leerling die in een wereld staat om in verwondering van de leren. Mijn idee van het grote niets is veranderd in een visie met voortgang van het leven na de dood. Alles in mijn leven heeft een diepere betekenis, die ik vaak niet overzie.

Veelal achteraf worden de verbanden tussen diverse gebeurtenissen mij duidelijk.

De dood is voor mij veranderd in een overgangfase. Het is niet iets om bang voor te zijn. Het is een moment van transformatie. Zelf heb ik een keer op de rand van de dood gestaan en het bleek helemaal niet angstaanjagend te zijn.

Als ik nu terug kom op orgaandonaties dan zijn er een aantal zeer fundamentele vragen die ik zou willen stellen. Waarom zou ik een leven verlengen dat aan zijn of haar eind is gekomen? Waarom zou ik mijn of een ander leven zo lang mogelijk rekken? Is het verlengen van het leven vanuit het hogere bewustzijn aan te bevelen of is het slechts een voortvloeisel vanuit mijn ego dat wil leven? In hoeverre mag ik in het leven ingrijpen? Deze vragen zijn niet eenvoudig te beantwoorden. Er is geen algemeen principe voor orgaandonaties wel of niet.

Vanuit spiritueel oogpunt zijn er vele punten van zorg bij orgaandonatie. Omdat de spirituele kant van orgaandonatie niet betrokken wordt bij de donatie kunnen er verwarringen ontstaan.

De donor geeft een deel van zijn spirituele bagage via het orgaan aan de ontvanger. Het is niet zeldzaam dat een ontvanger na de ingreep vreemde aspecten in zichzelf ontdekt die bij de donor horen.

Gezegd wordt dat de donor niet geheel zijn proces kan afmaken na de dood, doordat een deel van zijn of haar informatie nog aanwezig is in de ontvanger. Er ontstaat een vermenging van energieën.
Als ik dat hoor dan lijkt mij dat onwenselijk en zou de conclusie zijn geen donatie.
Echter alles op deze aarde bestaat uit keuzen die wij zelf hebben te maken. Ik denk dat er niet een eensluidend antwoord gegeven kan worden op de vraag. Het blijft een persoonlijke afweging vanuit mijzelf hoe het voelt om te doneren. De gedachte om een orgaan te ontvangen staat mij op dit moment niet aan. Wel weet ik dat dit makkelijk zeggen is als je niet in de positie verkeerd waarin een transplantatie nodig is om verder te kunnen leven.
Door contact te hebben met personen die een orgaan hebben gekregen kan ik niet  zeggen dat de keuze er makkelijker op wordt. Mijn grootste aarzeling bij donatie is de waardigheid waarop met mijn lichaam omgegaan zal worden mocht de situatie ontstaan dat mijn fysieke dood daar is. Als ik zou weten dat er ook vanuit een spirituele visie er gezorgd zou worden voor een goede overgang van een orgaan van mij naar een ontvanger zou mijn voorbehoud al minder zijn. Naar mijn mening hebben veel mensen onbewust het weten dat doneren meer inhoudt dan alleen het overzetten van een orgaan en stokt dat voor een groot deel het werven van donoren. Als de spirituele kant van de donatie meer zijn intree zou doen dan kan het zijn dat er meer mensen bereid zijn om te doneren of juist niet?
Het blijft een persoonlijke keuze.
Zoals het er voor mij  nu uitziet vertrouw ik op het leven en dat mijn dood op het juiste moment komt en dat daar geen donatie bij nodig is. Of toch……

Orgaandonatie

Door  Johanna Beaart

Tijdens de laatste bijeenkomst van de werkgroep “De laatste Levensfase”, vlak na de BNN stunt over orgaandonatie, verdiepten wij ons in dit onderwerp, waarna er aan ieder van ons gevraagd werd daar een stukje over te schrijven voor de BIS nieuwsbrief.

Ik wil niets doneren en ook niets gedoneerd krijgen. Johanna Beaart
Een goede kennis van ons zou op korte termijn geopereerd worden aan een van zijn gewrichten. De behandelende arts had gevraagd of de patiënt, na het verwijderen van het versleten bot, het oude wilde doneren voor de botbank.

Onze goede kennis had hier direct zijn toestemming voor gegeven, want ja vond hij, hij had er toch niets meer aan hij en als hij daar dan een ander mee kon helpen, prima toch?

Vroeger dacht ik daar zelf ook zo over, maar sinds een paar jaar toch een beetje anders .
Ik, die jaren met een donorcodicil op zak heb gelopen waarin ik volmondig ja zei tegen het gebruik van al mijn organen, huid en netvlies, wil nu niet eens meer mijn botresten doneren! Mijn antwoord nu is geheel tegengesteld aan mijn vrijgevige aard van vroeger, dus zou een duidelijk nee zijn!

Ik zou het indien mogelijk voor mezelf wel willen hergebruiken, maar het idee dat er een deel van mij achter blijft op aarde als ik eerder dood zou gaan dan de ontvanger, ook al is het een minimaal en te verwaarlozen beetje vermalen bot, dat staat mij niet meer aan.

Mijn energie zit in dat bot, maar ook mijn pijn! Ik heb in mijn leven heel veel lichamelijke pijnen moeten doorstaan. Het laatste wat ik wil is mijn pijn doorgeven aan een ander, want ook al is die kans misschien minimaal, alleen al het idee dat ik dat zou doen, staat mij tegen. Het zou mijn zielenrust in het hiernamaals verstoren denk ik. Ik wil ook zelf geen donorbot van een ander getransplanteerd krijgen.

Voor sommigen ga ik misschien wel te ver in mijn afwijzing van donorbot voor mezelf, maar voor mij voelt het op dit moment zo.

Heeft u al een donorcodicil?

Door Anna Lamb

Al lange tijd worden we via de media bestookt met de vraag onze organen na onze dood af te staan. (zie mijn artikel in de Nieuwsbrief maart 2005)

Een aantal mensen heeft mij opnieuw gevraagd wat ik van orgaandonatie vind en wat ik met mijn organen doe, wanneer ik kom te overlijden.

Het is niet gemakkelijk deze vragen vanuit ons hoger bewustzijn te beantwoorden.

Meestal beginnen we met rationele overwegingen zoals:
Je bent toch dood, dus heb je je organen niet meer nodig.

Ben je wel echt dood wanneer ze je organen uitnemen?
Maar ook: De trillingen van je niet aangegane processen liggen besloten in je organen. Die moet je eerst uitwerken voor je het aardse verlaat. Dat kan ook na de dood nog gebeuren. Echter dit kan niet meer wanneer je je organen gedoneerd hebt. Je blijft dan verbonden met de ontvanger van het donororgaan tot deze sterft. Zo kom je niet tot totale verwerking van je levensopdracht.

We worden ook emotioneel aangesproken: o.a.door verhalen over en beelden van zieke mensen, zelfs kinderen, die na donatie van een orgaan weer werken en voetballen. Je moet wel een hart van steen hebben om dan nog nee tegen het invullen van een donorcodicil te kunnen zeggen.

En stel dat een van je kinderen of kleinkinderen bv een nier zou moeten hebben. Ik denk dat ik naar het ziekenhuis zou rennen, ongeacht mijn overtuigingen.

Wij mensen zijn nog steeds zo gehecht aan het aardse leven.Wij mensen zijn nog steeds zo gehecht aan het aardse leven. We doen er alles aan om het aardse leven te verlengen. Maar het werkelijke leven gaan we toch in na onze dood?

Velen geloven in het hiernamaals, maar is het ook een weten vanuit de ziel? Bij mij in elk geval niet zo diep dat ik vanuit die overtuiging mijn kinderen onder mijn handen zou kunnen laten sterven.

Toch is donatie ook een daad van liefde.

Ik denk aan de spirituele betekenis van mijn organen. Mijn nieren. Wat stel ik me hierbij voor? Twee boonvormige organen die alle vocht uit mijn lichaam ontdoen van afvalstoffen en dus ook van al mijn geestelijke onzuiverheden.

In gedachte zie ik mijn lever; 65 jaar beroering vanuit mijn onderbewustzijn hebben mijn lever al gepasseerd. Wat zal dat voor effect gehad hebben op dit donkerbruine grote orgaan. Zouden mijn angsten en tobberijen zichtbaar zijn bv als grote donkere vlekken of verschrompelingen.

(En dan heb ik het maar niet over mogelijke gevolgen voor mijn lever van die vele heerlijke glaasjes rode wijn!)

Mijn longen zijn nog het meest voelbaar als ik in-of uitadem. Mijn levensadem heeft daar zijn werking gedaan.
En dan mijn hart. Waarvoor en voor wie heeft dit allemaal liefdevol geklopt? Wie heb ik in mijn hart gesloten. Hoe vaak en hoe diepgaand heb ik in liefde vanuit mijn hart gesproken, geleefd, naar mezelf gekeken?

Ik voel me heel dichtbij mijn lichaam komen nu ik dit schrijf.
Het is alsof ik me hierdoor van binnenuit met elk orgaan gaandeweg het schrijven, dieper verbind. Ik streel hierdoor als het ware de plaats van mijn longen; verwarm mijn lever en mijn nierstreek; koester mijn hart in mijn handen.

Zou iemand nog iets aan dit gebutste maar door mij geliefde lichaam kunnen hebben?

En, wil ik dat wel?

Zelf weet ik het zeker. Ik wil geen donororgaan. Maar ik heb dan ook al 65 jaar geleefd.

Ik weet het, voor een wezenlijk antwoord moet ik naar binnen.
Voorbij mijn denken en mijn emoties, voorbij mijn diepste gevoel.

Daar onder ligt het echte antwoord.
Ik weet niet wat ik verwacht. Ik leg mijn vraag in mij neer en breng mijn gedachten tot zwijgen en verstil. Ik open mij voor mijn diepste zelf; mijn hoger bewustzijn.
Dan komt vanuit een totaal weten het antwoord uit mijn ziel.

Veel zal afhangen of ik al mijn processen ben aangegaan op het einde van mijn leven.

Het antwoord is geen direct nee maar ook geen uitgesproken ja.

Mijn hogere bewustzijn zal dat weten. Ik zal daar dan ook opnieuw bij te raden moeten gaan.
En wanneer ik dan besluit tot donatie, dienen er voorwaarden verbonden te zijn aan de ontvanger. Hij of zij zal zich bewust moeten te zijn van de bijzondere waarde van wat hij of zij ontvangt.Respect moeten hebben voor dit deel van mijn lichaam.

En ik, Ik zal in overgave mijn orgaan dienen af te staan, zonder verder voorbehoud. In vertrouwen mij terugtrekken, zodat de ontvanger het orgaan totaal kan bewonen. Als was het nieuw.

Donor zijn, ja of nee?

Door Anna Lamb

Waar de ene groep zich beijvert zoveel mogelijk mensen op te roepen vanuit liefdevolle betrokkenheid een donorcodicil in te vullen, daar beijvert een andere groep zich dit tegen te gaan.

De eerste groep doet dit vanuit een behoefte en het geloof dat het het beste is als het leven, zolang als maar enigszins mogelijk is, op aarde wordt doorgebracht.

Uit liefde voor de zieke medemens voelt men zich geroepen zijn ?overbodige? organen na zijn dood af te staan.

De tweede groep doet dit juist niet en dit vanuit het nieuwe weten dat organen persoonsgebonden zijn; dat diepe ervaringen in het leven als trillingen hun weerslag hebben gekregen in het orgaan dat met bepaalde emoties verband houdt. Deze trillingen worden over het algemeen in de loop van het leven verwerkt en dan dus weer losgelaten, maar veel wordt niet direct verwerkt, dus niet losgelaten en blijft als trillingen achter in het daar voor bestemde orgaan.  Deze trillingen komen vrij als de mens overleden is en zijn lichaam het verteringsproces doorgaat. Alsnog komen dan oude processen uit dit leven tot verwerking en zal een nieuw leven daardoor niet extra belast worden.

Wanneer een mens zijn orgaan afstaat, blijven de onverwerkte trillingen achter in het dan nog wel levende orgaan in de ontvanger en komen zo niet tot verwerking.

De overledene blijft zo verbonden met de levende mens die het orgaan heeft ontvangen. Men spreekt zelfs menigmaal over eigenschappen die naar boven komen, die de zieke persoon voorheen niet had en dus via het donororgaan lijken los te komen.

Maar dood is geen afscheid voor altijd; we moeten dan ook niet kost wat het kost vast willen houden aan het leven, aldus de visie van deze laatste groep mensen.

Onlangs zag ik een zeer ontroerende documentaire op de televisie waarin een 10 jarig jongetje zijn organen na zijn naderende dood wenste af te staan.

Zo konden vijf mensen een van zijn organen krijgen en ?gered? worden. Een van hen was een jongetje van zes.

Het voelde zo goed en bijzonder; zowel wat het overleden jongetje had gedaan alsook de ouders en medische staf en toch….

Nog steeds heb ik en velen met mij het donorcodicil niet ingevuld.

Dit is niet zo maar gemakzucht of egoïsme.
Ik voel een diepe weerzin wanneer ik me voorstel een orgaan van een ander te ontvangen. Ik denk dat ik liever doodga. Maar ik voel wel een bereidheid om een orgaan te schenken aan een kind of een moeder met kinderen of wie dan ook.

Waar moet ik naar luisteren?

Naar mijn verstand, dat zegt dat ik zelf dan wel eens de dupe zou kunnen worden van dit besluit?

Naar mijn angst voor mogelijke gevolgen? Naar mijn schuldgevoel dat ik mensen kan ‘redden’ en dit uit egoïsme niet doe?
Naar mijn intuïtie dat zei dat ik geen donororgaan wil.

Ik besluit tot het laatste.
Mijn intuïtie is verbonden met mijn weten; met mijn bewustzijnsniveau want…
Wie zegt me dat er geen karmische banden lopen tussen donoren en hun ontvangers die op deze wijze worden uitgewerkt.
Wie zegt me dat er veel mensen door hun vergevorderde geestelijke ontwikkeling, na het sterven niet al gelijk hun processen kunnen loslaten en dus niets meer achter laten?

Wie zegt me dat dit niet een mogelijkheid is om in een leven meerdere ontwikkelingen door te maken, zonder telkens weer een nieuw leven te hoeven aangaan?

Wie zegt me dat dit niet een proces is waarin de mensheid vanuit nieuwe inzichten geholpen wordt tot meer eenheid en mededogen met elkaar te komen?

Alleen ons eigen weten is in staat deze vragen aan onszelf te beantwoorden, want ons eigen dieper weten komt voort uit onze levensopdracht en ons individuele ontwikkelingsniveau.. Dat vraagt verdieping; zelfkennis; eigen verantwoordelijkheid en trouw aan het eigen weten.

We zullen onze eigen valkuilen goed moeten herkennen en doorzien. En dat we uitgaan van een algemeen zo maar aangenomen gemeenschappelijk
standpunt, daartoe heb ik het hart niet!

Orgaandonatie, een visualisatie

Door Miep Verhoef
(lid van de werkgroep ”De laatste levensfase en spiritualiteit”)

Ik wil je vragen rustig te gaan zitten en eerlijk te kijken naar de
antwoorden die in je opkomen als je onderstaande vragen leest.

Stel je voor: je weet dat je niet lang meer te leven hebt en je hebt een
paar organen die nog bruikbaar zijn voor iemand anders.
Stel je ze beschikbaar?

zo nee,
stel je voor dat iemand uit je familie- of vriendenkring ziek wordt en een
orgaan “nodig heeft”. Verandert dat iets aan je standpunt?

Zo ja,
stel je dan voor dat het zover is. Je ligt op je sterfbed en je weet dat er een operatiekamer klaargemaakt wordt waar je lichaam, zodra je overleden bent, heen zal worden gebracht. Je blijft aan allerlei apparaten gekoppeld totdat
de benodigde onderdelen uit je lichaam zijn verwijderd. Kon je onder deze
omstandigheden rustig afscheid nemen en op je eigen tijd en wijze
overlijden?

Hoe is het dan om met een incompleet lichaam in de geestelijke wereld te
arriveren? (in zoverre je daar nog mee verbonden bent)?
Kun je waarnemen aan wie je organen worden gegeven? Ben je het daar mee eens of interesseert het je niet? Wil je in de buurt blijven van je organen of
kun je je ervan losmaken om je eigen weg te gaan in de geestelijke wereld?
Sta je nog steeds achter je beslissing of neem je je voor om het in een
volgend leven anders te doen?

Wat voor gevoelens heb je voor de ontvanger? Empathie? Of wil je je met
zijn/haar leven bemoeien? Ben je trots op jezelf?

Wilde je bij een hogere geestelijke macht in een goed blaadje komen?
Was het uit plichtsgevoel of uit angst voor schuldgevoel als je ‘t niet zou
doen?

Stel je voor,
je bent ziek en hebt een orgaan nodig. Wil je er wel een van iemand die net
is overleden (of zelfs van een dier)?

Zo nee,
wat is je motivatie om het niet te doen, om gewoon aan je ziekte te sterven?
En als het zover is: hoe erg is het eigenlijk om dood te gaan en in de
geestelijke wereld te vertoeven?

Zo ja,
voel je je beter met je nieuwe orgaan?
Wat doe je eraan om te voorkomen dat ook dit orgaan weer ziek wordt?

Heb je inmiddels inzicht in de mogelijke oorzaken van de ziekte?
En als het orgaan toch weer afgestoten wordt? Wat heeft die extra tijd je
opgeleverd?

Wat voor gevoelens en gedachten heb je voor je donor? Dankbaarheid is
voor-de-hand-liggend. Misschien vond je ook wel dat je er recht op had; die ander is immers toch dood …

Zoveel kanten en nog meer zitten er aan orgaandonatie. We zullen er
voorlopig nog niet over uitgepraat zijn.

Orgaandonatie en -transplantatie belicht vanuit de ziel

  • door Marieke de Vrij

cirkel1Nu wordt een gedeelte van de tekst weergegeven..
In de komende Nieuwsbrieven  komt het vervolg  hiervan.
“Het zij u gezegd dat de inhoud van de tekst vergaand is en uw eigen toetsing verdient.”

De teksten die hier deels verwerkt zijn, werden in 1998 ontvangen door Marieke de Vrij  door middel van bijeenkomsten met de Stichting Bezinning
Orgaandonatie, door vragen vanuit het publiek tijdens themabijeenkomsten, bij lezingen en door interviews. In een later stadium is meer kennis betreffende
dit onderwerp tot stand gekomen. Marieke hoopt medio 2003 in samenwerking met Ger Lodewick een genuanceerd boek over dit thema aan te kunnen bieden.

Inleiding
In de mens is een sterke hang gaande tot vernieuwing. Deze vernieuwing wordt menigmaal te eenzijdig beleefd, namelijk vernieuwing van het uiterlijk schoon, de verfraaiing van de eigen identiteit, maar wordt  niet zorgvuldig wezenlijk doorgetrokken naar het eigen zijn. De diepere persoonsbewuste zelf-aanname en zelf-acceptatie kunnen daardoor achterwege blijven.

Wij bevinden ons hier in de westerse wereld in een cultuur waarin reïncarnatie en leven na de dood geen algemeen geaccepteerd gedachtegoed is. Dit houdt in  – doordat er collectief, al of niet bewust, veel angst is voor verval – dat we voortdurend nieuwe technieken ontwikkelen om verval te voorkomen. We denken namelijk dat verval onomkeerbaar is en op een dieper niveau de eigen identiteit zal aantasten. We durven onvoldoende ons eigen wezen te accepteren binnen menselijke beperking.

Vanuit een meer spiritueel standpunt is dit ongegrond. De mens is in wezen niet zijn lichaam maar d·t wat hem doet begeesteren?. Hiermee wordt bedoeld zijn innerlijke vonk, zijn geest, die via een zielsafsplitsing geïncarneerd is om een bepaalde spirituele persoonseigen opdracht te vervolmaken hier op aarde. Deze innerlijke vonk overstijgt het aardse leven en evolueert geestelijk bestaanszeker. Er is hier geen sprake van verval, de eigen identiteit blijft gehandhaafd en vervolmaakt zich.
De angstbeleving voor verval maakt echter dat men steeds nauwkeuriger oplettend wordt in deze tijd hoe men verval kan voorkomen, niet alleen door cosmetische verfraaiing of door opsmuk van de psyche, door niet doorleefd gedrag ten toon te spreiden, maar ook door het vernieuwen van organen die ernstig aan verval onderhevig zijn en daarmee nog onvoldoende levenskracht vrijgeven.

De essentie
Ieder orgaan beeldt een complexe specifieke individuele psychologische gesteldheid uit, daarin ligt de neerslag van de complexiteit van jouw individuele innerlijke levensopdracht, daarin ligt eveneens opgeslagen jouw opgedane levenservaring.
Met andere woorden:  jouw diepere wezen, jouw zijn, wordt aards onder meer vertolkt en vertaald door verscheidene organen. Elk orgaan bevat andere specifieke herinneringsopslag en kwaliteiten. Bepaalde organen, mede soms afhankelijk van grootte en complexiteit ook in relatie tot andere organen, zijn veel welsprekender? in energie-uitdrukking dan andere organen.  Bijvoorbeeld het hart wat direct bemiddelend is naar alle organen toe. Alle organen zijn immers primair afhankelijk van het hart

Organen en datgene waar het orgaan psychologisch voor staat, kunnen door verscheidene levens heen te weinig aandacht gehad hebben. Dat wil zeggen dat
er te weinig bewust geaccepteerd contact is geweest tussen de persoon, het orgaan en datgene waar het orgaan psychologisch voor stond. Hierdoor kan het orgaan al in een vroeg stadium zich in meer of mindere mate niet gezond gedragen, met als oproepende kracht om bewustwording te genereren vanuit een diepere zelfacceptatie.

Doordat wij op dit moment in een maakbare maatschappij wensen te leven, zijn we bovenmatig genegen om van zaken die niet voldoen, afscheid te nemen zonder te komen tot bewustzijn en aanvaarding over wat ze ons gebracht hebben. We willen ze vervangen door iets nieuws? zonder de waarde van dat oude geheel te doorgronden.
De vraag is echter wat het nieuwe? ons wezenlijk te bieden heeft. Door de orgaantransplantatie neemt een ontvanger eigenlijk afscheid van dat wat hij onvoldoende heeft leren beminnen door acceptatie van een innerlijk leerproces. Aan de andere kant wordt een enorm verlangen gewekt naar een gezond orgaan. Dit is eigenlijk ook heel symbolisch: dat wat jou belast wil je overstijgen, zowel op psychologisch als op lichamelijk niveau. Dan zie je de orgaantransplantatie als de kans tot vernieuwing. Niet de doorleving van de oude levensprocessen maar het nieuw gewenste staat  op de voorgrond.

Je kunt je voorstellen dat de vitale organen door de hoeveelheid indrukken die er in zijn opgeslagen  zeer essentiële organen zijn. Bij de uitname van je eigen organen om plaats te maken voor de donororganen, ontstaat een gemis van je eigen specifieke herinneringsfrequentie om plaats te maken voor de herinneringsfrequentie van de donor die aan het donororgaan gekoppeld is. Vervolgens krijg je heel veel subtiele overdracht van zielsenergie van die ander in jouw lichaam.

De Organen
Ik zal nu in het kort enige afzonderlijke organen belichten, zowel in hunesoterische functie als in combinatie met transplantatie. Dit is een korte niet volledige versie.
Organen hebben onderling een bepaalde verhouding, een codering die weergeeft hoe ver ze elkaar ondersteunen. Door donatie worden deze onderlinge verbanden verstoord. Ook zijn zij dragers van onverwerkte herinneringssporen van eerdere levens.

Hart
Het hart bevat de unieke individu-gebonden informatie die de specifieke levensweg van elk mens persoonlijk aangeeft. Het bevat als het ware een totaalopbergplaats van de wezenlijke herinneringen van voorafgaande
incarnaties en deze geven het hart een soort blauwdruk mee voor de levensweg.

Het hart is hiermee de drijvende kracht – het letterlijke en figuurlijke  hart – in de geïncarneerde mens en vormt als zodanig ook het verbindingsorgaan met het hele lichaam, met alle plaatsen die doorbloed moeten worden en van levenskracht dienen te worden voorzien. De innerlijke opdracht van elk mens is zichzelf waar te maken, dat wil zeggen in waarheid zichzelf te manifesteren op basis van zijn eigenheid. De levenskracht van het hart neemt toe wanneer de mens zichzelf daadwerkelijk mag manifesteren vanuit zijn eigenheid. Het hart kan echter worden aangetast wanneer dit onvoldoende gebeurt. Met name in de westerse wereld worden mensen veelal gedwongen overhaast te reageren waardoor zij innerlijk weinig voldaanheid ervaren op hun levensweg. Zichzelf manifesteren vanuit de innerlijke waarheid wordt daarmee bijna onmogelijk. De veerkracht verdwijnt langzaam uit de mens en een zekere moedeloosheid is het gevolg. Zichtbare uitputtingsverschijnselen zijn vaak het gevolg en de hartfunctie neemt alsmaar verder af.

Een harttransplantatie verstrengelt de energiehuishouding van de donor met die van de ontvanger. Dit kan voor de ontvanger onder andere de volgende consequenties hebben: zijn andere organen worden belast met vreemde
energieën, hij kan zich niet meer uitdrukken in overeenstemming met de oorspronkelijke levensintentie, zijn levensopdracht, zijn levensvreugde neemt af, zijn levensmoed taant. Immers zijn persoonlijke levensopdracht raakt in verval en de levensopdracht  van de donor werkt door hem heen.

Longen
De longen hebben zowel fysiek als esoterisch te maken met inademing, uitademing en doorademing. Zij halen naar binnen wat de mens inspireert en creëren als zodanig verruiming van bewustzijn. Vanuit de longen genereert de mens zijn levensruimte, de plaats die hij durft in te nemen. Hierin ligt ook de mogelijkheid of onmogelijkheid het eigen etherveld te bewaken. Dit gebeurt via de auraverdichting aan het uiteinde van het optimale functionering van de longen wordt het auraveld verstevigd, veerkrachtig en worden de inkomende en uitgaande energiestromen schoon gefilterd.

Als de mens de laatste adem uitblaast, wordt hij  pas echt totaal doorlaatbaar?. Dan trekt hij zijn auraveld mee op naar de onstoffelijke gebieden toe.  Hij doorademt? zijn hele zielewezen zonder de aardse beperking en de
weerstand van het stoffelijk lichaam.

Als je een longtransplantatie ondergaan hebt, ga je jezelf anders beleven. Deze beleving wordt mede bepaald door de kwaliteit van leven die de persoon uitdrukte van wie je de longen hebt ontvangen. De denkbeelden van de donor kunnen de ontvanger in hun greep gaan houden, want denkbeelden
(luchtkwaliteit) worden via de longen binnengehaald of juist buiten gesloten. Bepaalde gedachten roepen spanningen op en deze opgehoopte spanningen die de donor via de longen geen uitweg heeft kunnen bieden worden mee overgedragen op de ontvanger.

Lever
De lever heeft een specifieke functie in verwerkingsprocessen. Eerst wordt opgeslagen wat nog niet verwerkt is en wat als het ware huiswerk voor de toekomst is. De lever kan symbolische beschouwd worden als een keldergewelf waarin een voorraad spijzen ligt opgeslagen die nog geproefd en genuttigd dient te worden. Na de opslag dient dan in de tijd de verwerking plaats te vinden. Hoe bewuster iemand contact onderhoudt met het leven, hoe makkelijker de lever kan werken en in deze verwerking wordt de lever tijdig geschoond. Als het keldergewelf vanwege blokkades te vol is met onverwerkte zaken is er te weinig ruimte beschikbaar om nieuwe energie te genereren en raakt de lever zijn balans kwijt, waardoor hij zijn functie van doorbloeder ook niet meer goed uit kan oefenen.
De lever is gevoelig voor alle psychologische verwerkingen. De lever bevat als het ware  de agenda voor het leven dat qua verwerking geleefd dient te worden.
Na een levertransplantatie gaan de agenda?s van donor en ontvanger fors door elkaar lopen. Je kunt bijna geen contact meer krijgen met je eigen herinneringsopslag. Je leeft verder met de voorraad uit het keldergewelf van
een ander. Je kent die vreemde spijzen niet die je nu te nuttigen krijgt. Het is niet het voedsel dat jouw leven nodig heeft en je raakt het spoor bijster: je herkent je eigen leven niet meer.

Nieren
De nieren symboliseren het communicatieaspect: het durven delen met anderen wat je oprecht bezighoudt, je durven verbinden met iemand of iets, gemeenschapszin. De wisselwerking tussen jou en de ander vindt in de nieren zijn weerslag. Zij hebben als het ware behoefte aan een open en gemoedelijke
dialoog. Als zij goed functioneren, scheppen zij evenwicht en een bewogen zuivere communicatie maakt hun doorstroming vloeiend van aard. De nieren kunnen ook spanningen van eerdere levens herbergen die bijvoorbeeld veroorzaakt zijn doordat je toen niet goed hebt kunnen functioneren in gemeenschapszin door druk van buitenaf of in jezelf.

Enerzijds hebben de nieren er onder te lijden wanneer een mens zich niet verstaan weet, zich niet voldoende kan uitdrukken, zich niet voelbaar in gemeenschap kan begeven, zich ongezien voelt en diepe eenzaamheid ervaart.
Evenals bij ingehouden spreken waardoor je veel gedachten in jezelf ophoopt die je niet met anderen durft te delen, belast dit de nieren.

Anderzijds als iemand  te gemakzuchtig communiceert – onzinnig, niet wezenlijk – kan dat de nieren ook ernstig doen verzwakken.

Als de mens te individualistisch wordt waarbij de gemeenschapszin nauwelijks meer aan bod komt, kunnen de nieren gaan verschrompelen want hun functie wordt niet meer gewaardeerd. Een niertransplantatie kan een sterke invloed hebben op de communicatie van de ontvanger. Het is heel goed mogelijk dat je gaat ervaren dat je gaat communiceren op een wijze die niet eigen? is, dat jouw gezien worden plotseling anders beleefd wordt, dat je wijgevoel zich sterk wijzigt.

Verwarring kan het resultaat hiervan zijn.

Zielsverstrengeling.
Als de donor is overleden, is hij etherisch nog wel op jou aangesloten. Het etherisch lichaam van de ander kan immers niet honderd procent functioneren want de zielskwaliteit die in zijn stoffelijk lichaam geaard was, heeft niet volledig mogen overgaan naar het onstoffelijk lichaam. Immers zijn hart klopt nog terwijl  het orgaan of  meerdere organen verwijderd worden. Zolang het hart klopt, kan de ziel zich nimmer volledig terugtrekken in de geestelijke wereld en al zijn zielsenergie daarvoor verzamelen. Een deel van zijn zielskwalititeit is nog in het donororgaan aanwezig  en leeft voort in het lichaam van de ontvanger en wordt in de loop van de tijd steeds sterker vermengd met de energie van de donor. Er ontstaat zielsverstrengeling.

Na het overlijden dient enige tijd in acht genomen te worden voordat de persoon zijn gehele zielseenheid uit zijn organen en stoffelijk lichaam heeft teruggetrokken. Per persoon is de tijd die hiervoor nodig is verschillend, van enkele seconden tot enkele dagen. Dit vraagt aandacht en bewustwording naar hoe wij met de overledene om wensen te gaan. Ook in relatie tot donatie na definitieve hartstilstand, is dit belangrijk.

Werkelijke bewustwording zou praktisch en emotioneel ingezet kunnen worden als de ontvanger zeer bewust afscheid genomen heeft van het oude orgaan en de ontvanger zich wezenlijk bewust wil zijn wat de mogelijkheden en onmogelijkheden geweest zijn die dit orgaan hem geschonken heeft op het niveau van innerlijke bewustwording en persoonlijke leeropdracht voor zover als dit tot zijn mogelijkheden behoort. Vervolgens zal men het ‘nieuwe’ orgaan moeten zien als een hulpmiddel dat verkregen is door mededogen van een ander mens en men zal oog moeten hebben voor het proces waarin de donorziel nu verkeert. Hiermee wordt de belasting die wederzijds is opgetreden niet ongedaan gemaakt, maar bewuster tegemoet getreden. De zielsverstrengeling, die al of niet in grote mate, heeft plaatsgevonden wordt onder ogen gezien.

Het aannemen van nieuwe organen, zoals dat nu regelmatig gebeurt, verlengt wel het levensresultaat in dit huidige leven, maar het risico bestaat dat in een ander tijdsmoment – een andere levensgesteldheid, een nieuwe incarnatie
–  dit energetisch teruggenomen wordt. Je verlengt het leven vanuit het gevoel dat je een bijzondere betekenis daaraan wilt geven om langer te mogen blijven, maar het kan daardoor ook hindernissen scheppen binnen een andere levensomstandigheid.

Als een orgaan niet meer te opereren valt, dan is dat het tijdslot, dan is dat ook de begrenzing van het aards bestaan omdat je dan in een andere vorm dient door te leven. Als je die grens kunstmatig oprekt – want dit is echt tegennatuurlijk grensverleggend – wordt de ziel onnodig lang vastgehouden in de aardse dimensie.

In het algemeen gesproken is de lichamelijke en psychologische gesteldheid van een mens aangepast aan het draagvermogen dat nodig is om een innerlijke opdracht of  meerdere opdrachten te vertegenwoordigen voor zover als in dit leven raadzaam geacht werd. Als je doet aan levensverkorting of aan levensverlenging grijp je in op basis van je eigen vrije wil in een kosmisch patroon. Dat is dan wel je eigen keuze, maar het punt is – het woord ongerijmdheid voel ik daar dan ook bij – dat je ingrijpt in het raadselachtige, in het wonder van het leven
zelf.
Er is een bepaalde marge van vrijwilligheid waarmee de vrije wil hierin mag oefenen. Als je bij voortduring jezelf als het ware wilt hernieuwen zonder doorleving naar dat wat je achterlaat, is het een heel gekunsteld proces: in feite mensoneigen op een dieper spiritueel niveau. Dat werkt dan uiteindelijk ook heel verzwakkend door in delen van je persoonlijkheidstructuur. Want als je te eenzijdig jezelf wenst te ontwikkelen en niet durft te oefenen met acceptatie maar voortdurend gedesillusioneerd bent als zaken aan verval onderhevig zijn, dan ben je niet in balans met het leven zelf. Want het leven is een afnemende en een gevende gebeurtenis en dat houdt elkaar op natuurlijke wijze in balans. Geboorte en dood, de seizoenen in de natuur, eb en vloed.

Het is iets heel anders als je vanuit bewustzijn probeert het orgaan te ondersteunen, op een persoonseigen wijze, met aandacht en zorgvuldige handelingen, zodat het orgaan niet onnodig snel in verval behoeft te geraken. Je werkt dan op basis van jouw vrije keuze zonder dat je daar anderen op zielsbestemmingsniveau mee hindert.

Het is van het grootste belang te begrijpen waar het nu eigenlijk ten diepste om gaat. Het zou een zegen zijn als men zich durft te  realiseren dat het eeuwige leven vertolkt wordt door de mensenlevens heen. En dat wanneer men niet slechts opkijkt naar de fysiek waarneembare materiële vorm waarin alles zich aards manifesteert, men ook inziet dat het leven op een onstoffelijke, niet waarneembare, wijze zich voortzet. Hiervan hebben vele mensen, die sterk fijnzintuiglijk ontwikkeld zijn, door alle tijden heen getuigenis  van afgelegd.

Het is niet de bedoeling deze uiterlijke aardse lichamelijke vorm, koste wat kost, los van andere dimensies van bestaan in stand te houden. Wanneer men niet wezenlijk toegenegen is zichzelf binnen het tijdloze te
bezien, dan kan men onvoldoende afstand nemen van het stoffelijk lichaam. Daardoor gaat men zich vereenzelvigen met onderdelen van dat aardse lichaam en zichzelf gelukkig prijzen alleen met het behoud hiervan. Men dient verder te kijken om de wezenlijke betekenis van het leven zelf te gaan begrijpen. De ziel is eeuwigdurend voorbestemd.  Men is ondeelbaar verbonden met al wat is.

Concluderend: je bent niet alleen een op zichzelf staand, afgezonderd mens. Je bent opgenomen in een veel ruimere werkelijkheid waarvan je een onmisbaar onderdeel vormt. En jouw specifieke incarnatie in dit leven is een onderdeel van dat wat is en wat zich uitbreidt middels dit leven en door opeenvolgende levensgesteldheden die jouw geest bevruchten. Het is een troost vanuit dit perspectief te weten dat de ziel steeds weer hernieuwde groeimogelijkheden aangeboden krijgt en dat de personen die wezenlijk met jouw (ziels)leven verbonden zijn,  zowel in de onstoffelijke levensvorm als wel binnen aardse betrekkingen hervonden zullen worden.

Wetenschappelijk gezien is het belangrijk oog te ontwikkelen voor de beperkingen van het huidige wetenschappelijk waarnemen. Wanneer onderwerpen als orgaandonatie teveel benaderd worden vanuit het mentaal denken, wordt er een grote kans gemist om vanuit meer wezenlijke benadering overstijgend te
schouwen. Bepaalde takken van de  huidige wetenschap leggen  dit gebied ook steeds meer bloot.

Het goed? doen aan elkaar middels donatie, wat maatschappelijk om diverse redenen aangeprezen wordt, hoe begrijpelijk ook in relatie tot hen die psychologisch en lichamelijk in innerlijke nood verkeren, wordt bezien vanuit het zielsaspect niet wezenlijk gewenst. De organen worden afgestoten, niet natuurlijk geaccepteerd in het lichaam van de ontvanger. Immers alleen middels zware medicatie kan het orgaan (tijdelijk) doorleven in het lichaam van de ontvanger.
Orgaandonatie cultiveert onze angst voor verval en staat de acceptatie in de weg, die veel vraagt van onszelf of van de geliefde ander, om uiteindelijk met zware lichamelijke klachten verder te leven en uiteindelijk te  sterven.

Orgaandonatie geeft op een beklemmende wijze te zien hoe een leerproces aan de mensheid gegeven is. Er zijn al vele jaren experimenten gaande waarbij apen onthoofd worden en de hoofden getransplanteerd worden op het lichaam
van andere onthoofde apen. Dit als vergevorderde voorbereiding om personen te voorzien van een geheel nieuw lichaam, bijvoorbeeld bij verlammingsverschijnselen.
Ons denken staat voor niets en veel zal realiseerbaar zijn in de stof. Echter wanneer dit op een dieper niveau ons zielenleven verstoort en onze geestelijke evolutie, waartoe leidt dit dan? Wensen wij een dergelijke
vooruitgang? te bewerkstellig?en? Durven wij innerlijke leerprocessen niet meer vanuit doorleving in eenvoud te accepteren en wensen wij onbewust of bewust vanuit hoogmoed, op basis van organen gekoppeld aan de
zieleneigenheid van anderen, ons leven te verlengen?

Wij geven een overwaardering aan het zichtbare, meetbare, maar dit spiegelt slechts een deel van de werkelijkheid. Deze andere onstoffelijke werkelijkheid wordt door de eeuwen heen door velen fijnzintuiglijk ervaren en dient daarom ter bezinning meegegeven te worden.